Ik
wil niet naar Alp d’HuZes
“Hé, kan ik niet mee?”, vroeg ik Koos een tijdje
terug, toen hij vertelde dat hij namens de Rabobank Wielerploeg mee zou fietsen
met Alpe d’HuZes aanstaande
donderdag. Het leek me wel gezellig, zo met een massa fietsvolk de beroemde
Nederlandse berg te beklimmen. Want op deze Alp is het tenslotte altijd feest.
Ik weet nog dat ik hem een keer samen met mijn vader daags voor een
touraankomst heb beklommen. Het vele volk langs de kant gaf me vleugels. Van
alle kanten werden we toegezongen. Ook heb ik tijdens één van Koos zijn tours
nog een keertje gekampeerd boven in het dorp. Kennissen hadden met moeite een
piepklein gaatje ergens in een wei kunnen openhouden voor onze tentjes. Die
avond maakten de barbecues overuren en kwamen flesjes wijn uit alle hoeken en
gaten tevoorschijn. Sommige supporters liepen uitgedost als Pantani
in polonaise over de berg en tot diep in de nacht klonk er een gezellig
geroezemoes. De Alp d’HuZes leek mij dan ook tien
keer leuker als een nachtje doorhalen in een bruin café. Tot afgelopen
Hemelvaart. Want toen begeleidde Koos een groepje van een stuk of zes wielrenners
die mee gaan doen aan dit spektakel. Het zijn/waren allemaal kankerpatiënten. Ter
voorbereiding keken we samen een filmpje van de NCRV waarin zij deze mensen
volgen in hun missie om de top te bereiken. Ik noem zomaar even wat namen: Max,
26 jaar en een hersentumor. Pieter, 31 jaar en leukemie, is nog in behandeling.
Imi, 26 jaar en schildklierkanker, Niels 22 jaar en
teelbalkanker. Daar werd ik even stil van. Stuk voor stuk mooie jonge mensen en
opeens had kanker voor mij een gezicht. Straks op die Alp zullen ongetwijfeld
talloze patiënten hun grenzen weer proberen te verleggen, bijgestaan door heel
veel andere mensen die allemaal hun eigen verhaal hebben. Die allemaal op de
één of andere manier zijn geconfronteerd met kanker. Daar is helemaal niets
gezelligs aan en geeft al helemaal geen reden tot feest. De Alp d’HuZes is een bloedserieuze zaak. Nu ik daar zo eens over
nadenk, ben ik blij dat ik die rit helemaal niet hoef mee te fietsen. Sterker
nog, ik hoop dat ik me nooit geroepen zal voelen om deel te nemen. Ik stop straks
in september tijdens de collecteweek gewoon wel wat in de collectebus. U ook?
Edith
Moerenhout
Dinsdag, 7 juni 2011
Het
toverwoord van de KMC
Rode koppen, ingevallen wangen, zweet en snot op de broeken maar allemaal een big smile na afloop van de eerste Koos Moerenhout Classic. Zo zagen ongeveer alle deelnemers eruit na een dagje bikkelen in het West-Brabantse en Zeeuwse land. Eén woord werd elke keer weer opnieuw gepreveld. Alsof het een soort toverwoord was. Wie goed luisterde, hoorde het woord als een soort samenzwering uitgesproken worden. Zachtjes, fluisterend en met diep respect. De Oesterdam. Sjeezus, wat heeft moeder natuur ons die dag op de proef gesteld zeg. Met windkracht 6 (volgens mij overdrijf ik nu echt niet) vol in het gelaat moesten 1975 deelnemers de dam zien te overwinnen. Het was een machtig gezicht. De hele weg vol met groepjes wielrenners die hopeloos tevergeefs bij elkaar in het wiel probeerden weg te kruipen, in de hoop een beetje wind mis te lopen. Daar kwam bij iedereen de overlevingsdrang naar boven. Zelf fietste ik met mijn schoonfamilie rond. Wij vormden met zeven dames een olijk mutsenclubje. Dat de één een berenconditie had en de ander vooral het avontuur aanging, maakte die dag niet zoveel uit. We waren zo sterk als de zwakste schakel en bleven zoveel mogelijk samen. Behalve… op de Oesterdam, want daar was het uit met de gezelligheid. Daar werd geleden, gescholden en gevochten voor een plekje uit de wind. Tante Rina en nicht Mieke moesten het maar even uitzoeken, want toen daar een mooi groepje voorbij kwam, wist ik niet hoe snel ik in het wiel (lees: uit de wind) moest duiken. Ook Koos zijn zus, sinds een paar maanden op de racefiets, zag ik met haar rode rugzakje en klimmersbenen een wiel inschieten. Het heroïsche gevecht op de Oesterdam leverde na afloop van de KMC in ieder geval de meest fantastische verhalen op. Wat ons als familie nog het meest raakte, was dat het overal zo ontzettend gezellig was. Iedereen was blij, enthousiast en had, ondanks de harde wind, enorm genoten van de tocht. Het leverde ons en de vele mannen en vrouwen van RTC de Fatuur een ontzettend trots gevoel op. Zo, dat hebben we samen toch maar mooi geflikt. Volgend jaar doen we het dus gewoon weer over. Maar ik beloof u, dan bestellen we wat minder wind.
Edith Moerenhout
Dinsdag, 31 mei 2011
De day before
Half elf ’s avonds, de avond vóór de KMC. Ik zit nog achter de computer om de
laatste voorbereidingen uit te voeren, als ik een geweldige hoofdpijn voel
opkomen. Nog even vol houden denk ik, morgen voel ik me vast weer helemaal fit.
Maar als de volgende ochtend om kwart over vijf de wekker gaat, voel ik mijn
hoofd nog steeds bonzen. Mijn rug doet pijn en ik voel me rillerig. Shit, dit
is niet het moment om ziek te worden. Eerst maar op zoek naar een paracetamolletje en een bak koffie. Koos is inmiddels de
deur al uit en ik drentel wat heen en weer. Ik heb het gevoel dat ik gevangen
zit in een droom. Zo eentje waar je achterna wordt gezeten, maar je voeten aan
de grond lijken te plakken. Ik sta een tijdje te dubben bij mijn kleding. Zal
ik lange beenstukken aandoen of toch maar mijn kniestukken? Als een echte
toerfietser kies ik uiteindelijk toch maar voor de korte broek. Ik heb net
alles aan, als ik naar de wc moet. Het is zeven uur en de eersten zouden nu moeten
starten. Keer op keer kijk ik uit het badkamerraam de dijk op. Verrek, daar
komt er eentje aan. Ik heb een brok in mijn keel en ik kijk net zolang totdat
hij de bocht om is. Opnieuw naar de wc. Aan tafel schuif ik met moeite wat naar
binnen. Ongeduldig trommel ik de kids uit bed.
Twijfel of ik één of twee bananen mee zal nemen. Bel mijn schoonzus op dat ze
moet opschieten (ik moet haar dochter in ons kledingkraampje afzetten) en in de
haast vergeet ik bijna de te verkopen kleding in mijn auto te zetten. Nog maar
weer een plasje, je kunt het maar kwijt zijn. Om negen uur arriveren mijn
schoonouders. Eindelijk! Echter geen tijd om gedag te zeggen, ik moet nú weg.
Ze trekken zelf de deur maar dicht. Ik
zie ze later wel weer. Met drie pubermeiden in mijn kiaatje
scheur ik naar de start. Heb ik nou de kinderen nog gedag gezegd? Laat maar
zitten…Bij de start willen zoveel mensen iets tegen me zeggen, dat ik het
officiële startschot mis en meteen in de achtervolging moet om mijn familie in
te halen. Ik schiet de Blauwstraat in om na een paar honderd meter te
concluderen dat ik totaal de verkeerde kant uit fiets. Shit, waar moet ik nou
heen? Even relaxen Edith, denk na. Fiets omdraaien en als een speer richting De
Heen. Met de adrenaline in elke vezel van mijn lijf sluit ik na een paar
kilometer achtervolgen dan toch aan bij mijn familie. Zo… het grote genieten
kan beginnen. De hoofdpijn is weg.
Edith Moerenhout,
Dinsdag 31 mei 2011
Bill, Bob, Joe en Little
Engine
Het was een gemêleerd gezelschap daar in het Toscaanse
gehucht Lecci, waar Koos en ik op uitnodiging van een
fietskennis verbleven. We zaten buiten op het terras van de enige bar van het
dorp tussen een club Amerikanen en Canadezen. Ze hadden zich allemaal netjes
voorgesteld, maar ik kon de namen maar niet onthouden. Ik noemde ze gewoon
Bill, Bob en Joe. Dan zat ik altijd goed. Twee heren
sprongen er qua postuur uit. Big Joe en little engine (zo noemde hij zichzelf: man met de kleine
motor). Big Joe was volgens de andere mannen
ontzettend atletisch. Ik had zelf een heel ander beeld bij ‘atletisch’, naar
mijn idee was dit gewoon een ordinaire kleerkast. Deze waterpolo spelende
kleerkast zwom moeiteloos van de befaamde gevangenis Alcatraz
naar de kust van San Francisco (toch ruim twee kilometer) en showde ons tussen
neus en lippen nog wat plaatjes waar hij met zijn imposante figuur ergens op de
top van een golf heel ‘cool’ op een surfplank lag.
Zijn vader had tijdens de Olympische Spelen in Londen in 1948 een zilveren
medaille gewonnen bij één of ander atletiekonderdeel (iets met gooien of zo).
Sport zat dus in zijn genen. Bij little engine lag
dit wat anders. Met zijn magere verschijning paste hij zeker twee keer in het
lichaam van zijn kamergenoot. Ergens tussen de pasta en het vlees vroeg hij
Koos hoe hij wat sterker kon worden. Als hij ’s ochtends om zes uur door downtown Toronto trainde (dan was
het namelijk lekker rustig op de weg), zat hij steevast in het wiel van een
fietsmaat. Volgen ging prima, maar met een grote versnelling op kop rammen, dat
lukte hem niet. Een pasklaar antwoord had Koos niet. De een is nu eenmaal meer
gezegend met brute spierkracht dan de ander. Little
engine was gewoon een klimmerstype in plaats van body builder.
Daar moest hij maar mee leren leven. De dag erna ervoer hij direct het voordeel
van zijn breekbare verschijning. Als een vlinder fladderde hij moeiteloos tegen
de vele Toscaanse heuveltjes op. En Big Joe? Die lag die dag met zijn ‘atletische’ lijf gewoon in
bed, creperend van de rugpijn… 1-0 voor little
engine.
Edith Moerenhout,
Dinsdag, 9 mei 2011
Harmeling en de Alpe d’Huez
Afgelopen weekend was ik in het Van der Valk hotel
in Maastricht om een interview af te nemen met een paar wielerdames. Eén dag
voor de Amstel Gold Race in hét wielerhotel van
Maastricht zitten, staat garant voor aapjes kijken en herinneringen ophalen. Zo
spotte ik Bjarne Riis,
Antonia Flecha, Leon van Bon maar ook Rob Harmeling. Nou denkt u bij Harmeling
misschien aan zijn tourzege die hij in 1992 in Bordeaux behaalde, maar ik denk
aan iets heel anders. In 2008 stond ik namelijk met mijn familie in de buurt
van Alpe d’Huez op een
camping. Op de wedstrijddag waren wij met de bus en daarna met de kabelbaan
bovenop de Alp gearriveerd. Dat de laatste kabelbaan terug ging vóór het einde
van de wedstrijd namen we maar voor lief. We zouden wel zien hoe we weer terug
kwamen op de camping. Nadat we Koos ’s avonds nog even in zijn hotel hadden
bezocht, werd het tijd om op te stappen. Maar ja, bussen en taxi’s reden niet
meer en de berg zou de hele nacht worden afgesloten. Daar stonden we dan ’s
avonds laat met drie kleine kinderen in de lobby van Koos zijn hotel. Ik had
spijt als haren op mijn hoofd van deze onbezonnen actie. Uiteindelijk wilde Rob
Harmeling ons met een wagen van de Raboploeg wel naar beneden brengen. Zo gezegd zo gedaan. Met elf man stapten wij
in zijn busje. Mijn schoonzus en haar vier kinderen namen plaats op de
achterbank. We waren nog geen kilometer op pad en we reden al in de file. Dit
zou nog heel lang gaan duren. Uit het niets kwam er een politieauto voorbij
scheuren, die enkele gastenwagens van de Lotto ploeg naar beneden escorteerden.
Het koersinstinct van Harmeling kwam direct naar
boven en in de slipstream van de laatste Lotto auto, daalden wij mee naar
beneden. Het werd een opwindend ritje. Over de linkerbaan ging het plankgas de Alpe d’Huez af. Bochtje naar
links, bochtje naar rechts, bochtje naar links. De geur van brandend rubber
kringelde onze neusgaten binnen en het werd stilletjes in de auto. Eén voor één
werden de blauw-oranje tasjes van Rabobank vol
gekotst. Oh wat waren we blij toen we weer op de camping arriveerden. Harmeling wist zich het verhaal nog goed te herinneren en
we hebben er nog even hard om staan lachen. Harmeling
en de Alp, een herinnering om nooit te vergeten.
Edith Moerenhout,
Dinsdag, 19 april 2011
Ik krijg er buikpijn
van
Onze dochter Lynn zal
ongetwijfeld een beetje buikpijn hebben gehad toen de prijsuitreiking van haar
allereerste turnwedstrijd begon. Vorige week riep ze nog vol bravoure dat ze
voor de eerste prijs ging. Maar nadat ik eerder op de training haar
concurrentes eens nader had bekeken, besloot ik haar optimisme een beetje te
temperen. Die eerste prijs ging er voor ons ietwat stijve harkje echt niet in
zitten. Al zittend op de tribune hoopte ik dan ook op een klein wondertje.
Misschien, heel misschien, met heel veel mazzel en een wat slaperige jury zou
ze misschien net derde kunnen worden. Helaas… Na de wedstrijd kwam er dan ook
een teleurgestelde Lynn mijn kant uit lopen. “En het
waren nog allemaal kleintjes ook,” mopperde ze over haar clubgenootjes die het
wel tot op het podium hadden geschopt. Van binnen moest ik wel een beetje om
haar lachen, maar ik vond het vooral erg sneu voor haar. Zelf viel ik als kind
zelden buiten de prijzen als het om sport ging.
Van alle meisjes kon ík
het hardste rennen en bij de gymles werd ik altijd als één van de eersten
gekozen. Van de tien turnwedstrijden waar ik aan meedeed, won ik er acht. Ook
toen ik begon met wielrennen, reed ik direct mee voor de prijzen.
Hoewel onze kinderen nog maar aan het hele prille
begin van hun (hopelijk) sportieve leven staan, realiseerde ik me dit weekend
wel, dat hoeveel prijzen wij als ouders ook hebben gepakt, dit niet automatisch
betekent dat onze kinderen dit ook gaan doen. Ik geef toe dat ik het wel heel
erg leuk zou vinden. Want laten we eerlijk wezen, welke ouder vindt het nu niet
fantastisch als haar dochter of zoon op het bovenste schavot mag plaatsnemen.
Jammer genoeg is dit in de praktijk maar voor een handjevol kids
weggelegd. In gedachten dwaal ik nog even af naar mijn jaren op de fiets en ik
zie de meisjes nog zo voor me, die ook het hele land doorreden voor hun
wedstrijdjes, maar die na één of twee rondjes al niet meer konden bijhouden. Pff, ik zou er buikpijn.
Edith Moerenhout
Dinsdag, 12 april 2011
De koers: meer dan één verhaal
Vallende
renners. Voor de wielerliefhebbers die de wedstrijden vanachter de televisie
volgen, zijn dit, hoe raar het ook klinkt, haast vertrouwde beelden. In bijna
elke wedstrijd is het wel een keertje prijs. Als toeschouwer krimpen we even in
elkaar, stoten een “aah” of “ooh”
uit en duiken vervolgens weer in de koers. Zo ging het ongeveer ook bij ons
thuis toen Karsten Kroon 87 kilometer voor de finish in de afdaling van de Knokteberg hard tegen het asfalt sloeg. Ik dacht nog
eventjes aan zijn valpartij van vorig jaar, toen hij in de Waalse Pijl een
gebroken neus en jukbeen op liep, om vervolgens nieuwsgierig af te wachten
wanneer Fabian Cancellara er nou eindelijk eens patat
op zou geven. En zou Tom Boonen zich op de Muur weer
zo genadeloos laten afslachten? Die arme Kroon was al snel weer uit mijn
gedachten. Vreemd eigenlijk, want waar wij als toeschouwer verder gaan met het
verhaal van de koers, begint voor Kroon een heel eigen verhaal. Verslagen zit
hij op zijn kont op de weg, zijn linkerschouder hangt af. De wielerkaravaan
raast langs hem heen en in de verte ziet hij de bezemwagen uit het zicht
verdwijnen. Eén van de ploegleiders staat hem bij en met een van pijn
vertrokken gezicht wordt hij na een poosje in de ambulance getakeld. Daar denkt
hij aan al die trainingsuren die hij de afgelopen winter heeft gemaakt. Zíjn Amstel Gold Race die hij
moet missen. De trainingsachterstand die hij straks op zijn collega’s weer in
moet zien te halen. Zijn dochters die papa weer gehavend zien thuiskomen. Hij
kan wel janken. In het ziekenhuis ligt hij de rest van de dag in zijn bezwete
en besmeurde fietskloffie, want zijn tas staat nog in het hotel. Hij ritselt
een telefoon (ook die ligt in het hotel) en belt zijn vrouw die hem later die
dag opzoekt. Praten hoeft niet, want ze denken en voelen beide hetzelfde. Na
een maand van niks doen en chagrijnen mag hij eindelijk weer op de fiets en
kijkt hij reikhalzend uit naar de eerste wedstrijd. En dan, na twee maanden,
loopt zijn verhaal eindelijk weer gelijk met dat van Cancellara
en van Boonen.
Edith Moerenhout,
dinsdag, 5 april 2011
Sterkte Bram!
Misschien moet ik bij deze toch even mijn excuses
maken aan Bram (Tankink). Sorry Bram, het was niet met
opzet, maar ik moest gewoon ontzettend hard lachen. En ik lachte je echt niet
uit hoor, want zoiets zou ik nóóóit doen. Nee, ik
lachte gewoon óm je. Da’s
heel wat anders. Want wat jou overkwam in de E3 Prijs afgelopen zaterdag, had
elke renner kunnen gebeuren. Ik zal daarom ook niet beweren dat het je eigen
schuld was. Maar toch… je had misschien net ietsje vaker over je schouder
moeten kijken, of je oren moeten spitsen, of gewoon luisteren naar je
onderbuikgevoel (als mannen dat al hebben natuurlijk.) Dan had je heel in de
verte iets voelen aankomen, iets horen aankomen beter gezegd. Eerst was het
gewoon een vervelend zoemend geluid ergens in het weidse achterland. Een
houthakker die met zijn kettingzaag aan het spelen was of zoiets. Wrrrrrnngggg, Wrrrrrnngggg. Maar
dan een beetje anders. Bram hoorde het niet. Het geluid kwam dichter- en
dichterbij. Het zoemen ging over in ronken. Het ronken ging over in brullen.
Het leek verdomme wel een stroomtrein die er aan kwam.
Arme Bram, ik zag hem in de kopgroep even van het
zadel gaan, de rug losmaken en de spanning van zijn benen halen. Op zijn
gezicht lag een gekwelde uitdrukking. Fris zat hij allang niet meer. Vanuit
zijn ooghoek zag hij iemand naderen. Hij draait zijn hoofd naar links en
SHITTTT, het is Fabian Cancellera! Ik weet het zeker,
zijn aarzeling duurde niet langer dan één seconde. Hij dook opnieuw onderin de
beugel en met volle kracht spande de Tukker elke spiervezel aan in zijn lijf om
maar bij der Fabian in het wiel te
kunnen duiken. Maar het was gewoon te laat…
Het moment dat Bram zijn hoofd naar links draaide.
Dat was het ‘m voor mij. Ik heb nog nooit iemand zó vol ongeloof zien kijken.
Ik moest er gewoon keihard om lachen. Verbazing, verwondering en complete
ontreddering stonden op zijn gezicht af te lezen. In die enkele seconde wist
hij dat de koers gedaan was. Net als de rest van het peloton trouwens.
Bram, ik wens jou en je collega’s veel sterkte de
komende klassiekers.
Edith Moerenhout,
dinsdag 29 maart 2011
Een kitscherig stuk ijzer
Koos komt met zijn jas aan de kamer binnenlopen en vanuit mijn ooghoeken zie ik
dat hij iets op ons dressoir zet. Het is een zware (fiets)bokaal die hij vorig
jaar augustus ontving als aandenken aan zijn etappe-overwinning
in de Eneco Tour. Omdat hij net met zijn auto wilde
vertrekken, vroeg ik hem verbaasd of die “mooie” beker al die tijd achter in
onze auto had liggen te slingeren. Dat was niet het geval, maar… het had best
gekund. Want hoe mooi de prestaties meestal moeten zijn voordat je zo’n beker
ontvangt, zo lelijk zijn de meeste sportprijzen. De ene beker is nog groter en glimmender dan de andere en als je denkt dat je de
lelijkste wel hebt ontvangen, volgt er altijd eentje die nog afstotelijker is.
Wij deden het liever met de herinnering en wisten nooit zo goed wat we met die
bekers moesten aanvangen. De eerste paar dagen stond hij nog enigszins
beschaamd te pronken in de huiskamer. Maar als snel verdween hij richting
computerkamer of zolder. Vooral in de criteriums na de Tour was het vaak prijs,
na elke gang naar het podium kreeg Koos zo’n kitscherig stuk ijzer in handen
gedrukt. Ik begrijp nog steeds niet waarom die organisatoren dat zo graag
willen. Een bloemetje volstaat lijkt me. Kijk, toen ik een kind was, sprong ik
een gat in de lucht bij elk vaantje of elke medaille die ik in ontvangst mocht
nemen. En ook Koos zijn ouders hebben tijdens zijn jeugdwedstrijden soms uren
gewacht op de prijs van zoonlief. Toen wij beiden het ouderlijk huis verlieten,
hadden we niet zoveel oog meer voor onze tastbare prijzen. Mijn medailles
bleven hangen aan de kast en Koos zijn bekers verhuisde bij pa en ma richting
zolder. Vorig jaar heeft zijn vader ze met pijn en moeite toch maar bij het
grofvuil gezet, nadat hij ons eerst nog polste of dat Koos echt zijn bekers
niet meer wilde. Nee, dank je. En nu? Nu Koos al lang en breed is gestopt, komt
hij toch nog geheel onverwacht met zo’n kleinood de kamer binnenlopen. Shit zeg, eerst maar weer een paar dagen op
de kast.
Edith Moerenhout,
dinsdag 22 maart 2011
Nú even niet!
Koos had zijn auto net keurig netjes in een parkeervak gemanoeuvreerd, toen er
achter ons een zwart bestelbusje tevoorschijn kwam en hem zonder aarzelen aan de
andere kant van de straat half op de weg en half op de stoep parkeerde. Nou nou. Geen zin zeker om een parkeerplek te zoeken? Uit de
auto kwam een vrouw gesprongen, haar jas hing nog los en wapperde achter haar
aan toen zij richting de Dorpsstraat sprintte. Koos en ik waren in St. Willebrord voor een bezoek aan de Dorpenomloop Rucphen. Toen ik haar herkende, moest ik wel om haar
lachen. Al rennend met een stel wielen in de hand en een camera om haar nek,
riep ze ons toe dat ze net uit Essen kwam, waar één van haar zoontjes had
gekoerst. Nu stond zoontje nummer twee klaar voor de start van zijn wedstrijd.
Wat een gekkenwerk dacht ik bij mezelf. Om op één dag van de ene koers naar de
andere koers te speren voor je kids. Nu zal het vast
niet elk weekend zo gaan, maar toch… Op de terugweg naar huis vroegen Koos en
ik ons af, of dat wij hetzelfde zouden doen voor onze kinderen? Elk weekend
naar de koers, met een beetje pech zelfs zaterdag én
zondag. Ik zal u eerlijk vertellen, daar heb ik nog hélémaal
geen zin. Als ik het zo eens even uitreken: ik rijd gemiddeld 25 keer in de
week heen en weer naar school, naar de turnclub van Lynn
en naar allerlei vriendjes en vriendinnetjes. En dan ook in het weekend nog op
pad? Pff, mag ik effe
bijkomen? Laatst stootte de buurman mij aan. Hij was met nog een vader bezig
een kleutervoetbalploegje op te zetten. “Niks voor jullie Kas?” vroeg hij
lachend. Hellup, dat betekende nog meer ritjes!
Misschien vindt u het wel hartstikke egoïstisch van mij, want mijn ouders, en
ook die van Koos, hebben zonder mopperen jarenlang het hele land met ons door gecrosst .
Ach… ik stel het nu wel zo, maar ik weet dat als de
tijd daar is en één van onze kinderen fanatiek aan sport wil doen, wij gewoon
elk weekend met ze mee hobbelen. En dat ik dan net als die moeder mijn auto
asociaal langs de kant van de weg parkeer om maar niet de start van de
wedstrijd te missen. Maar nu nog even niet…
Edith Moerenhout
dinsdag, 15 maart 2011
Bidonnen koppen en fluimen ontwijken
Ongelooflijk hoeveel mensen er het afgelopen weekend
weer langs de kant stonden bij Omloop het Nieuwsblad en Kuurne-Brussel-Kuurne.
Sta je daar de hele middag te bibberen en te wachten totdat de renners in
minder dan tien seconden langs je heen trekken. Er zijn aangenamere manieren om
je dag door te brengen. En toch vinden veel mensen het hartstikke leuk. Want
als je naar de koers gaat, dan doe je dat vooral voor de sfeer. Met een grote
groep mensen natte voeten halen in een drassige berm, levert toch een bepaalde
mate van heikneuterige gezelligheid op. Er wordt gekletst, geroddeld en vooral
gespeculeerd over welke renners er straks als eerste voorbij komen zeilen. En
zodra de meute in de verte de helikopters in de lucht ziet hangen, voel je een
golf van opwinding door het publiek trekken. Als dan de allereerste auto’s voor
de wedstrijd voorbij gaan komen, ga je als vanzelf een paar stapjes op de weg staan.
Met voorover gebogen lichaam kijk je langs je buren naar links (of rechts) of
je in de verte al een flits van de kopgroep ziet. Je wordt een beetje
zenuwachtig, wiebelt van je ene been naar je andere been, je vloekt
binnensmonds op de supporters die naast je staan, want waarom gaan ze nou
precies voor jóuw neus staan? Je laat je niet kennen
en stapt nog een stapje de weg op. Nu beginnen je andere buren te ouwehoeren.
Het misprijzende gebaar van die zwaaiende arm negeer je, jij móet en zál je favoriete
wielrenner zien. Als dan in de verte eindelijk de lichten van de motoren
naderen, doe je nog een stap op de weg, of twee. Net als iedereen eigenlijk. En
dan wordt het pas echt leuk... Dan moet je schatten hoe lang je op de weg kunt
blijven staan, zonder te worden geraakt door een voorbij jakkerende wielrenner.
Oeps, net op tijd… Daarna doe je nog een wedstrijdje bidon koppen en fluimen
ontwijken. Je springt nog eens weg voor een macho motoragent die met honderd
kilometer per uur over een geitenpad raast en als je dan denkt dat je het hebt
overleefd, knalt Tom Leezer van de Rabobankploeg met 50 kilometer per uur vol in je rug. Goh
Tom, jij ook hier? Gezellig man. Volgend weekend weer naar de koers?
Edith Moerenhout
Dinsdag, 1 maart 2011
Jabal al Akhdhar versus Alpe d’Huez
Ik vond vroeger het Marco Polo Cycling
Team maar een vreemd clubje. Deze Chinese wielerploeg waar al jaren Aziaten,
Afrikanen, Europeanen en andere overzeese renners hun heil vonden, vlogen elk
seizoen naar de meest exotische oorden om daar hun wedstrijdjes te rijden.
Marokko, Thailand, Burkino Faso
of Korea. Wielrennen? Dat deed je in Europa vond ik, daar waar de échte koersen waren. En al die wielrenners die zo nodig in den vreemden moesten koersen, waren
een stelletje uit de kluiten gewassen pubers die maar niet volwassen wilde
worden. Niet goed genoeg voor de profs, maar te lui om een echte baan te
zoeken. Maar het wordt tijd dat ik mijn mening ga herzien. Sinds enkele jaren
treedt het profpeloton regelmatig buiten de Europese oevers voor haar
wedstrijden. De Tour Down Under (Australië) en Tour
of Qatar zijn inmiddels wel bekend bij de echte
wielerliefhebbers. Maar ook de wedstrijden in Amerika (Californië)
en Canada (Quebec en Montreal)
genieten steeds meer bekendheid bij het grote publiek. Dit jaar gaat de Rabobankploeg als het goed is zelfs een ronde in China
rijden! Toch moet ik er nog wel een beetje aan wennen aan dat internationale
gedoe. Afgelopen week zag ik in Oman een breed lachende Robert Gesink op het podium staan naast een kerel in een witte
jurk en dito tulband om zijn hoofd. Is toch net even wat anders als een
rondborstige rondemiss in een geel Tour de France pakje. En waar we in Europa
nog wel eens worden opgeschrikt door een loslopende hond of koe in het peloton,
moet je in de rest van de wereld uitkijken voor overstekende apen (écht gebeurd
in Maleisië) of kamelen (Qatar). Dat het peloton
steeds meer zal uitwaaieren over de hele wereld, is dan ook een ontwikkeling
die niet meer lijkt te stoppen. Maar of Jabal al Akhdhar (bergetappe in Oman), Tianjin
(slotetappe Ronde van China) en Baie-Maheult/Baie-Maheult (ploegentijdrit Guadeloupe)
net zulke monumenten gaan worden als het Bos van Wallers,
de muur van Geraardsbergen of Alpe
d’Huez? Ik weet het niet. De mannen van het Marco
Polo team zouden er in elk geval voor tekenen.
Edith Moerenhout
Dinsdag, 22 februari 2010
Klote hardlopen
Och, het zag er zo goed uit. Al lang voor de kerst was ik met mijn eerste
hardloopoefeningen begonnen. Elke week ging ik toch twee of soms drie keer op
pad. Ik deed het gewoon. Mijn heupgewrichten die vreemde pijnsignalen
verzonden, negeerde ik. Mijn rugpijn deed ik af met “beginnerspijn”.
Want, ach, na een dag of twee was ik wel weer klaar voor de volgende training.
Vorige week zat ik al op loopintervalletjes van acht minuten (niet lachen, da’s héél véél
voor iemand die nooit iets rennend heeft gedaan), maar nu? Nu ben ik in staat
om mijn trimschoenen in de hoogste boom aan de Groendijk op te hangen. Hoe dit
zo komt? Vorige week ben ik geveld door een stevige griep. Nu heb je als je
ziek bent sowieso al makkelijk spierpijn. Maar deze keer werd ik met mijn neus
wel heel erg op de ongemakken van het lopen geduwd. Mijn heupen voelden als een
versleten boerenkar. Piepend, krakend, en na 1963 niet meer gesmeerd. En mijn
rug, nou dat was helemaal dramatisch. Alsof er een menstruatie van een maand of
acht zat aan te komen. Voor de mannen: denk maar aan kiespijn of aan je
schoonmoeder. Een zeurderige pijn die continue ergens in je lijf aan het
prikken is en die maar niet van ophouden weet. Maar het meest schrok ik nog van
iets anders. Tijdens één van mijn vele hangsessies in de bank, besloot ik mijn
rechterbeen (wat in gebogen toestand stond) een klein beetje te verplaatsen.
Zomaar een centimetertje of tien hoor. Een doodnormale beweging, ik deed niks
raars en toen… pats! Ergens in mijn knie leek er een botje te verschieten en
deze draaide mijn hele knie op slot. Behalve dat het verrekte veel pijn deed,
kon ik mijn been niet voor- of achteruit bewegen. Paniek sloeg toe, want hier
lag ik dan, moederziel alleen in huis met mijn been in de lucht. Na mezelf even
moed te hebben ingepraat, lukte het me om mijn been met een ferme ruk weer
terug te knakken. Het is daarna gelukkig niet meer gebeurt, maar als ik nu op
mijn hurken iets onderuit het keukenkastje pak, voel ik wel dat het daarbinnen
nog niet helemaal snor zit. Klote hardlopen. Op mijn racefiets heb ik zulke
gekkigheid nog nooit meegemaakt! Vanaf nu check ik driemaal daags het weer en
als eindelijk die eerste mooie lentedag aanbreekt, maak ik dat ik weg ben. Op
mijn fiets natuurlijk.
Edith Moerenhout
Dinsdag, 8 februari 2011
Als je verliest, juich
je niet
“Kijk nou toch,” roept Koos verbaasd uit. “De nummers twee en drie juichen net
zo hard als de eerste. Daar snap ik nou niks van.” We zitten samen te kijken
naar het WK veldrijden voor vrouwen en Marianne heeft haar zoveelste titel in
de wacht gesleept. Koos kan er maar niet over uit, dat je op een kampioenschap
juicht wanneer je net naast de hoofdprijs pakt. Hij vindt het typisch iets voor
vrouwen. Natuurlijk voel ik me dan als ex-wielrenster toch een beetje
aangevallen. “Als je tweede of derde wordt op een wereldkampioenschap, heb je
het toch goed gedaan?” breng ik tegen beter weten in. Maar hij is het er niet
mee eens. Ik snap wel wat hij bedoelt. Het heeft met een bepaalde instelling te
maken. Als topsporter moet je een niet te stuiten drang voelen om je
tegenstanders (figuurlijk) de nek om te draaien. Marianne Vos heeft in de loop
der jaren talloze tweede plekken binnengehaald op grote wedstrijden, maar dit
leidde nooit tot juichpartijen op de streep. Toen ze in 2009 tweede werd op het
WK in Mendrisio, kon ze haar fiets wel doormidden
hakken en toen ze in 2010 wederom een zilveren plak pakte op de WK in Geelong, had ze nog eerder haar voorwiel over haar oren
getrokken dan juichen om die tweede plek. En da’s nou
het verschil tussen Marianne en de rest. Voske gaat
voor de overwinning en de rest is tevreden wanneer ze om de ereplaatsen mee
kunnen doen. Gelukkig kon ik Koos later die dag nog wel de mond snoeren. Want
toen bij de profrenners de nummers twee en drie na een ontketende Stybar binnenrolden, staken zowel Nijs als Pauwels een hand in de lucht. “Zie je wel, de mannen doen
het ook!” kaatste ik de bal. Dat zag ik natuurlijk verkeerd, want die hand in
de lucht was geen juichen, maar was een gevoel van berusting. Maar toen er ver
in de achterhoede nog een renner over de streep kwam, die een wiegend gebaar
maakte (ongetwijfeld verwijzend naar zijn pasgeboren kind), had ik hem tuk. “Pff, wat een mafketel, dat doe je toch niet als je 23e
wordt?”
Edith Moerenhout
Dinsdag, 1 februari 2011
Stelletje aandachtstrekkers
Wanneer je jezelf als topsportende vrouw vergelijkt met de mannelijke topsporter,
zou je met gemak een minderwaardigheidscomplex kunnen krijgen. Want de heren
krijgen doorgaans én veel meer publiciteit én worden stukken beter betaald. Eén van de weinige sporten
waarover de vrouwen op dat gebied niets te klagen hebben, zijn de tennissters.
En toch doen ze het. Nou ja, klagen doen ze niet, maar ik vermoed dat sommige
dames toch een bepaalde mate van onderwaardering voelen. Dus trekken ze de
complete trukendoos open om extra aandacht te vragen. Ik moet eerlijk toegeven
dat ik niet zo heel veel van de Australian Open heb
gezien, maar wat ik zag, waren toevallig allemaal belachelijke acties van
tennissters.
Het begon voor mij al met Venus
Williams, die voor haar tweede speelronde een huidkleurige onderbroek had
aangetrokken. Geen gezicht zeg. Bij elke knal die ze tegen de bal gaf, floepte d’r rokkie omhoog en leek je zo
een groot zwart gat binnen te staren. Waarom je dát
als vrouw zou willen, is mij een raadsel. Maar goed, ik ben misschien een
beetje te preuts, er zijn genoeg mensen die exhibitionistische neigingen
hebben. En dan die partij tussen Koeznetsova en Schiavone, wel een schitterend slot trouwens, maar wat een
kabaal! Dat afschuwelijke gekreun van de Italiaanse gaat mij door merg en been. Je hoeft alleen je ogen maar dicht te doen om
te geloven dat je in een pornofilm bent beland. Als Federer
of Murray (in een huidkleurig broekje) deze geluiden
op de baan zouden maken, werden ze ongetwijfeld gearresteerd door de
zedenpolitie. Maar de meest belachelijke actie komt wat mij betreft op naam van
Caroline Wozniacki. Toen de pers haar vroeg wat die
pleister op haar been deed, vertelde ze bloedserieus dat ze was “aangevallen”
door een kangaroe. Uren later twitterde ze vervolgens
dat het hele verhaal compleet verzonnen was en dat ze de journalisten expres
bij de neus had genomen. Goeie genade, alsof dat geen aandachttrekkerij is.
Kappen met die flauwe kul dames en doe gewoon wat je moet doen: een goeie pot
tennis spelen. Dan komt die aandacht vanzelf wel.
Edith Moerenhout,
Dinsdag, 25 januari 2011
Koning
Lance en de Zwijger
Lance Armstrong gaat
stoppen. Eindelijk, zou ik haast zeggen. Hoef ik tenminste niet meer met
buikpijn te kijken naar één van zijn vele persconferenties. Koning Lance die
koelbloedig het middelpunt vormt tussen klikkende camera’s en nieuwsgierige
journalisten. Soms werd hij geflankeerd door een paar onderdanige
collega-renners, maar die wisten ook wel dat zij daar voor spek en bonen zaten.
Net als de journalisten trouwens. Want Lance maakte zelf wel uit waar hij
antwoord op gaf en wie hij verbaal een enorme veeg uit de pan gaf. Niet mijn
stijl, maar ik moet wel bekennen dat ik bewondering heb voor de manier hoe hij
persconferenties en interviews naar zijn hand zette. Geen journalist die hem
vast lulde. Zijn antwoorden waren luid en duidelijk en behoefden geen verdere
uitleg. Als Lance het zo zei, dan was het ook zo. Van zijn priemende blik liepen
zelfs mij de rillingen over het lijf, terwijl ik toch echt veilig achter de
buis zat. Amstrong is, hoe je het ook wendt of keert
een man die ontzag opwekt. Maar persoonlijk gezien kreeg ik het niet warm van
hem. Dan keek ik toch liever naar de Spanjaard Miguel Indurain.
Verbaal kwam hier zo weinig uit, dat het hem de bijnaam “de Zwijger” opleverde.
En in zijn Banesto team vond zelden een “spetterende”
persconferentie plaats. De ijzige wind die regelmatig op de meetings bij Armstrong waaide, werd bij Indurain
slechts veroorzaakt door een openstaande deur. Indurain
hoefde niks te zeggen om respect af te dwingen. In mijn beleving had hij genoeg
aan zijn imposante figuur en serene uitstraling. Vorig najaar kwam ik hem
onverwachts tegen tijdens ons jaarlijkse citytripje naar Rome. Terwijl ik een
veel te dure spaghettisliert naar binnen slurpte, passeerde Indurain
op slechts luttele meters ons tafeltje. Als ik mijn hand had uitgestoken, had
ik hem bijna kunnen aanraken. Het liefst was ik hem achterna gerend om een
handtekening te vragen, maar ik durfde niet. Ik was te zeer onder de indruk en
ik deed wat híj altijd deed. Ik zweeg. Ach, dat had
ik trouwens bij Lance ook gedaan hoor. Plus dat ik dan van angst onder tafel
was gedoken…
Edith Moerenhout,
Dinsdag, 18 januari 2011
Zoveel mensen, zoveel herinneringen
Ik was vorige week tijdens het afscheid van Koos in Ahoy op alles voorbereid. Extra paar panty’s in mijn tas voor de ladders, dekentjes voor Kas om lekker op te slapen, een spelcomputertje voor Lynn voor het geval ze zich zou vervelen en natuurlijk een paar pakken zakdoekjes in geval van heftige emoties. Dat met die emoties, viel gelukkig allemaal wel mee. Met zoveel mensen om je heen die je allemaal willen spreken en felle lampen op je kop gericht, is er ook weinig ruimte om na te denken kan ik je zeggen. Ik moest zelfs af en toe mijn best doen om een glimp van het wielrennen op te vangen. Ook Koos doorstond zijn moment van glorie zonder tranen, hoewel hij wel een paar keer even moest slikken. Nee, de day after was voor mij emotioneler. Toen ik de beelden van RTV Rijnmond terugzag, zag ik pas hoe indrukwekkend het afscheid was geweest. Het publiek dat de handen stuk klapte, de renners die mooie woorden spraken over Koos, Lynn die op een geleend racefietsje een ereronde reed met haar vader. En dan was er nog hét boek. In dit boek hadden familie en goede wielervrienden mooie verhalen en herinneringen achtergelaten. Zoals Leo, de vaste trainingsmaat van Koos, die altijd uitkeek naar het einde van het seizoen, in de hoop Koos na een vermoeiend jaar eens flink te laten afzien. Het is hem slechts één keer gelukt dankzij een flinke jetlag van Koos. En het verhaal van oom Sjaak, die samen met Koos zijn ouders de Ronde van Spanje bezocht. Met veel pijn en moeite hadden zij met hun camper een plekje gevonden op een akelig smal bergweggetje. ’s Nachts werden zij door de Guardia Civil uit hun bed gelicht en moesten zij in het holst van de nacht en in het pikkedonker de steile berg af. Een paar uur daarvoor had de familie nog gezellig een flesje Whisky koud gemaakt. Zoveel verhalen en herinneringen van zoveel mensen. Het is mooi te realiseren dat het wielrennen niet alleen vreugde heeft gebracht in ons gezin, maar dat hij dat ook heeft gebracht bij talloze wielerliefhebbers. Hij heeft misschien geen touretappes gewonnen of klassiekers, maar als je zoveel mensen kan laten genieten van je prestaties, dan mag je gerust zeggen dat je carrière is geslaagd. Chapeau!
Edith Moerenhout
Dinsdag, 11 januari 2011
De zegen en de zege
Als je het mij vraagt, gaat Koos aanstaande vrijdag tijdens zijn afscheidswedstrijd in Ahoy een zware kluif krijgen aan zijn tegenstanders. Waar hij in oktober nog drie keer om hen heen reed, moet hij nu oppassen dat zijn generatiegenoten hem niet alle hoeken van de baan laten zien. Zover dat kan op een wielerbaan natuurlijk. Pijnlijk maar waar. Koos heeft de afgelopen maanden namelijk aan den lijve ondervonden hoe zijn goede vorm als sneeuw voor de zon verdween. Na het WK stroomde zijn agenda vol met allerlei uitjes, besprekingen, vergaderingen en andere flauwekullekes. Tijd om te fietsen was er amper. Een flinke dosis winterweer en een hardnekkige griep brachten zijn conditie vervolgens de genadeklap toe. Koos legde vorige week voorzichtig een eerste baantraining af en tot zijn grote schrik reed er gewoon iemand rond, een toerfietser notabene, die harder fietste dan hem. Hellup!!! Dus wat doe je dan als ex-profrenner als training, rust en vitaminepillen je er niet bovenop helpen? Juist, dan richt je je blik naar de hemel en je vraagt om hulp van boven. Daarom heeft Koos een oude bekende gevraagd om hem in deze race geestelijk bij te staan. Het is ons kapelaantje, zoals Koos hem wel eens liefkozend noemt. Ons kapelaantje was in Koos zijn jeugdjaren kapelaan van Achthuizen. Behalve de parochianen in hun leven met raad en daad bij te staan, was hij ook een fanatiek wielerliefhebber. Dus als Koos zijn vader de wielerronde van Achthuizen organiseerde, streed de kapelaan samen met zijn dorpsgenoten mee om de overwinning. Tijdens onze huwelijksmis, die hij uiteraard leidde, wist hij van onder het altaar opeens een wielerpetje te toveren en zette hij de mis met het petje op zijn hoofd voort. Dus Koos dacht zo, met een aardse vertegenwoordiger van onze lieve Heer in zijn supportersvak, zou hij rechtstreeks op de overwinning af moeten stevenen. Of het gaat lukken, is een kwestie van afwachten. Maar ik heb mijn bedenkingen, want afgelopen zomer riep ons kapelaantje voor aanvang van de Tour de France nog: “Mijn zegen heb je, maar een zege moet je zelf verdienen.”
Edith Moerenhout
Dinsdag 4 januari 2011
Pagina’s vier, vijf en zes
De ene sportverkiezing is de andere niet, zullen we
maar zeggen. Vorige week waren Koos en ik te gast bij het RTV Rijnmond
Sportbal, waar de beste sporters van de regio Rotterdam werden gehuldigd. Ik
bevond me tussen toppers die in allerlei takken van sport op mondiaal niveau
hun sporen ruimschoots hadden verdiend. Rechts van mij zat Leontien van
Moorsel, schuin achter me zaten Fatima Moreiro de Melo en haar vriend Raemon
Sluiter, linksvoor ontdekte ik Mark Huizinga en linksachter zaten de ouders van
Giovanni van Bronckhorst. (Koos mocht deze avond trouwens de RTV Rijnmond Award in ontvangst nemen: een oeuvreprijs
voor zijn 15-jaar durende wielercarrière). Hoe anders was de uitreiking de
avond erna, toen Koos de sportman, sportvrouw en sportploeg van Bergen op Zoom
in de bloemetjes mocht zetten. Kanovaarder Bas Wesselink,
atlete Linda Prop, het LG team van hockeyvereniging Tempo en atleet Corné
Haast. Ik zal u eerlijk vertellen dat ik voor die avond nog nooit van ze had
gehoord. En dat is helemaal mijn eigen schuld, want het regionale gedeelte van
de sportkrant lees ik zelden. Ik scan de koppen, lees wellicht de eerste
alinea, maar haak dan definitief af in de veronderstelling op deze pagina’s
geen aansprekende resultaten meer te vinden. Maar… gelukkig is er dan zo’n
avondje in Bergen op Zoom om mij het tegendeel te bewijzen. Natuurlijk halen de
(meeste) genomineerden niet het niveau van de landelijk bekende topsporters,
maar ik werd wel positief verrast door de prijzen die zij als sporter al in
ontvangst mochten nemen. Zo weet ik nu dat Bas Wesselink,
Corné Haast en het LG team van hockeyvereniging Tempo Nederlandse titels op zak
hebben, dat Linda Prop twee keer zilver pakte op Nederlandse Kampioenschappen
en dat de tennismeisjes van HTV kampioen zijn in de hoofdklasse. En dat zijn
toch prestaties waar ik mijn petje voor afneem en waar ik als West-Brabantse best een beetje trots op ben. Dus beste
regionale sporters, bij dezen bied ik jullie mijn excuses aan voor zoveel
onwetendheid en ik beloof plechtig dat ik voortaan ook pagina’s vier, vijf en
zes van de sportkrant zal lezen. Jullie verdienen het!
Edith Moerenhout,
Dinsdag, 28 december 2010
Stommerik die ik ben
“Dat had je gewoon moeten doen”, siste mijn moeder me in een kledingwinkel haast verontwaardigd toe. Ook mijn vader lachte me uit om zoveel eerlijkheid. En van Koos kreeg ik ook al geen bijval. Op zijn gezicht verscheen een spottende uitdrukking, toen ik vertelde wat me was overkomen. Om me heen hoorde ik allerlei hebberige stemmetjes in mijn oor hijgen: “Pakken wat je pakken kan” en“je had ze toch kunnen verpatsen?” Tja, dat had inderdaad allemaal kunnen doen, maar dat was totaal niet in me opgekomen. Vorige week werd ik gebeld door een aardige dame die Asics vertegenwoordigde. Ze had gelezen dat ik na mijn hardloopavontuur bijna het loodje had gelegd, doordat mijn tenen te weinig zuurstof hadden gekregen in mijn te kleine trimschoenen. Dat mocht natuurlijk niet gebeuren, althans niet in een paar Asics schoenen. Dus bood zij mij ter preventie een gloedjenieuw paar schoenen aan. En wat deed ik? Ik zei gewoon “nee”. Eigenlijk was ik helemaal overdonderd door haar voorstel. Ik stond net in mijn onderbroek in een pashokje en vertelde haar naar waarheid, dat ik een paar dagen ervoor juist een nieuw paar trimpies had gekocht. Haar voorstel schoof ik daarom vriendelijk maar overtuigend terzijde. Het ongeloof spatte bijna door de telefoon het pashokje in. Dit had ze natuurlijk nog niet eerder meegemaakt, zeker niet in deze huidige graaicultuur. Ze besloot het nog één keer te proberen en vroeg nogmaals of dat ik écht geen nieuwe sportschoenen wilde? Hoewel ik het een ontzettend sympathiek gebaar vond, vond ik het op dat moment echt verspilling. Hoe ik daar zo bij kwam, weet ik nog steeds niet. Waarschijnlijk heb ik gedacht, je kunt maar één paar tegelijkertijd dragen. Of wellicht borrelde die dag al een beetje het kerstgevoel in mij op. Bezinning. Tevreden zijn met wat je hebt. Het gaat om de immateriële zaken. Rond deze tijd krijg ik om de één of andere reden altijd een gruwelijke afkeer tegen ons overmatige consumptiegebruik. Elke zondag koopzondag, nieuwe kleren, cadeautjes voor elkaar, vrachtladingen met eten in huis, een tweede paar hardloopschoenen. Bèèèhhh… Maar goed, eenmaal wakker geschud door mijn omgeving, kan ik me momenteel wel voor mijn hoofd slaan. Want laten we eerlijk wezen, wat moet een vrouw nou met slechts één paar (trim)schoenen in de kast? Stommerik die ik ben.
Edith
Moerenhout,
Dinsdag, 21
december 2010
Hop, nog één keer trok
hij aan zijn stuur
In Overijse heb je een
hartstikke leuke speeltuin voor kinderen. Ik kan het weten, want ik stond er
afgelopen zondag te koukleumen toen ik met de familie de druivencross bezocht.
Hoe spectaculair de wielrenners de race ook wisten te maken, onze kinderen
hadden er weinig oog voor. En dat kwam dus door die speeltuin. Terwijl de
coureurs boven ons op de wal elkaar het snot voor de ogen fietsten, bleef er
één supporter halsstarrig in de speeltuin hangen. Het was een manneke van een
jaar of vijf zes. Zijn helm hing achterover op zijn hoofd en dunne
spillebeentjes staken uit zijn korte racebroekje. Van top tot teen zat hij
onder de modder. Terwijl onze Kas een zandtaartje bakte, reed hij op zijn
gemakje met zijn fiets door het losse zand van de zandbak. Ik zag hem zonder
problemen de grasrand ophupsen om vervolgens met een slakkengangetje een
heuveltje op te rijden. Mijn benen stonden al op standje rennen om hem van de
grond af te schrapen, want hij koerste af op een paar stevige boomstronken. Ik
kon me al helemaal voorstellen hoe onze Lynn volle
bak met haar voorwiel tegen de stronk zou rijden om daarna over de kop te
slaan. Maar net toen ik dacht, nu gaat hij omvallen, trok hij met het grootste
gemak een paar keer zijn voorwiel omhoog en poefte
over de stronken heen op weg naar de volgende hindernis. Met een simpele
beweging sprong hij van zijn (te grote) fiets en gooide hem op zijn smalle
schoudertjes. Terwijl zijn helden Sven Nijs en Kevin Pauwels
hem op slechts luttele meters passeerden, had hij enkel oog voor zijn eigen
manoeuvres. Het was een mooi gezicht; zo’n klein manneke zo handig met zijn
fiets in de weer te zien. Het was voor mij het grootste bewijs dat “de cross”
de Belgen gewoonweg in het bloed zit.
Toen na afloop van de koers het volk afdroop
richting het café en de supportersbussen van Bart Aernouts
en Kevin Pauwels voorreden om hun supporters op te
halen, reed onze kleine wielrenner nog steeds rond. Deze keer fietste hij samen
met een vriendje over de weg richting finish. Hop, nog één keer trok hij aan
zijn stuur en trappers om zijn wielen een paar seconden boven het asfalt te
laten zweven. Over een jaar of vijftien is hij er ongetwijfeld bij hier in Overijse. Niet als toeschouwer natuurlijk maar als coureur.
En zal hij al scheurend over de wal vast nog wel eens een blik naar beneden
werpen, naar de speeltuin waar hij ooit zijn rondjes reed.
Edith Moerenhout,
Dinsdag, 14 decenber 2010
Ik ga een dikke vette
claim neerleggen
Welja, heb ik van het weekend twee keer een rondje
hardgelopen samen met Koos, stik ik van de zere voeten. Eigenlijk zijn het vooral
mijn twee grote tenen die zich erg onbehaaglijk voelen in mijn sportschoenen en
duidelijke signalen afgeven dat ik mijn trimpies vooral niet meer moet
aantrekken. Dat ik mijn schoenen te klein heb gekocht, is natuurlijk niet mijn
schuld hè. Nee, dat is gewoon de schuld van Asics
zelf en die jojo die mij die schoenen heeft aangesmeerd. Denk maar niet dat de
verkoper mij heeft gewaarschuwd. Hij had toch best even kunnen zeggen: “Edith,
ga nóóit met je grote voeten in te kleine schoenen
hardlopen.” En trouwens, er hing ook al geen kaartje aan met: dragen op eigen
risico. Maar ik laat het er niet bij zitten, ik ga een dikke vette claim bij Asics neerleggen. Als ik lang had doorgelopen hadden mijn
tenen wel kunnen afsterven! Wat voor bedrag zal ik eens vragen, hmm… een tonnetje of twee lijkt me wel een mooi bedrag. Is
misschien wat aan de hoge kant, maar als ik mijn tenen had verloren, had ik
door mijn ziekenhuisopname toch een poosje niet kunnen werken. Ik had in de
tussentijd misschien wel de nieuwe Heleen van Rooyen
kunnen worden of Saskia Noort! Weet je wat, ik gooi
er nog een paar ton op, want mijn reputatie heeft danig geleden onder dit
voorval. Ik weet zeker dat er op de Welberg mensen zijn geweest, die mij als
een oud wijf hebben zien sjokken. Ik schaam me kapot. En ga me nu niet
vertellen dat ik overdrijf, want als de familie Lommers
het kan, kan ik het ook. Hun 16-jarige schaatsende zoon, Wesley Lommers, is vorige week door de beroepscommissie van de
KNSB in hoger beroep vrijgesproken op het gebruik van nandrolon.
Direct na de uitspraak legde zijn verdediging een claim neer van 1,5 miljoen
euro vanwege reputatieschade en inkomsten die hij verwacht in de toekomst te
gaan missen. 1,5 miljoen euro!!! Voor een kereltje dat zijn jeugdpuistjes amper
kwijt is. Ze denken zeker de nieuwe Sven Kramer in handen te hebben. Ik wacht
de uiteindelijke uitspraak nog maar even af. Maar áls
het ze lukt, zet ik mijn belachelijke plannetje door. Wie weet trapt Asics er ook wel in…
Edith Moerenhout
Dinsdag, 7 december 2010
Redenen om te sporten
Onze dochter Lynn van zes
jaar kan maar moeilijk kiezen. Ze heeft op atletiek gezeten, draait nu haar
kunstjes in de turnzaal, maar jazzdance en voetbal
lijken haar ook wel leuk. En dat is prima, want met een overdosis aan televisie
en computer, is het hard nodig dat onze kinderen in beweging blijven. Onder het shirt van menig kind prijkt
namelijk hier en daar toch al een hardnekkig vetrolletje. In Mozambique, waar
Koos vorige week een aantal ontwikkelingsprojecten van Right to Play heeft
bezocht, hebben ze daar geen last van. Friet met frikadellen kennen ze niet en
van magnetronmaaltijden hebben ze ook nog nooit gehoord. Ze zijn al blij dat ze
daar elke dag gewoon iets te eten hebben. Nee, in Mozambique sporten de
kinderen om een hele andere reden, namelijk afleiding. Even een klein moment
van geluk en onbezorgdheid in hun armoedige leventjes. Een groot deel van de
mensen daar leeft in hutjes, zijn gehuld in lompen en sloffen op blote voeten
over de zandwegen. Het leek me voor Koos dan ook niet bepaald een gezellig
reisje. Boeiend, dat wel, en een ervaring voor het leven, maar leuk is anders.
Ik vroeg me dan ook af, of hij aangeslagen door het vele leed zou terugkomen.
Maar dat bleek op zich mee te vallen. Right to Play organiseert namelijk
sportprojecten en overal waar Koos kwam, waren kinderen ondanks de zichtbare
armoede vrolijk aan het rennen en spelen. Hij trof ze dus op hun best. Wat ik
zo bijzonder vind, is wat dat betreft alle kinderen op de hele wereld hetzelfde
reageren op sport en spel. Laat ze voetballen, tikkertje doen of blindemannetje
spelen en kinderen hebben plezier. En dat is precies wat deze organisatie met
hun projecten wil, kinderen in kansarme gebieden een beter bestaan geven én, misschien nog wel belangrijker, voorlichting geven over
AIDS. Wat dat is in Afrika nog steeds hard nodig. Het spel werd diverse malen
onderbroken om de kinderen vragen te stellen over deze ziekte. Kun je het aan
de buitenkant zien dat iemand AIDS heeft? Mag je wel met zo’n kindje spelen? En
kan de medicijnman uit het dorp je genezen? Tja, dát
zijn nog eens redenen om te sporten, in plaats van vechten tegen overgewicht
wat sommige kinderen hier uit gezondheidsoverwegingen moeten doen.
Edith Moerenhout
Dinsdag, 30 november 2010
Alles hangt mee
Ik vond het gewoon een belachelijk idee van Koos.
Geen idee hoe het in zijn hoofd kwam, maar ik vermoed, dat nu hij officieel
gestopt is met wielrennen, hij onmiddellijk op zoek gaat naar nieuwe doelen.
Zaken waar hij zijn tanden in kan zetten, ideetjes in zijn hoofd die hij niet
meer kan loslaten. En nu heeft hij zijn pijlen op mij gericht, nu ben ík zijn doel. Wat hij heeft bedacht? Hij vroeg zich een
tijdje geleden voor de gein af, of dat ik hét nog zou kunnen. Tijd om nee te
zeggen kreeg ik niet, want hij fantaseerde stug door. Dat het toch een
geweldige bak zou zijn, wanneer ik na zijn afscheid mijn rentree als
wielrenster zou maken. Tuurlijk joh, waarom niet?
Vergeleken met Jeannie Longo
ben ik nog piepjong en Marianne Vos, ach, die fiets ik er na een paar maanden
training toch hééélemaal uit. Bijna zeven jaar heb ik
weinig tot niets aan sport gedaan. Dat het hard nodig is, voel ik zelf ook wel.
Ik kom regelmatig als een oud wijf uit bed, heb overal vage pijntjes en mijn
energiebron lijkt af en toe helemaal droog te staan. Koos is niet te houden, zo
vastberaden is hij om zijn sportieve vrouwtje weer terug te krijgen. Mijn oude
zware racefiets heeft hij inmiddels de deur uitgedaan, die is naar mijn zwager
verhuisd en er is een mooie lichtere fiets voor in de plaats gekomen. Oké, hij
geeft toe dat het internationale toneel wellicht een stapje te ver is, maar één
wedstrijdje volgend jaar bij de wilde bond moet volgens hem kunnen. “Je moet
toch een doel hebben?” lijmt hij me. Ik twijfel doorlopend, totdat ik op
vakantie ben in Curaçao. Eén of ander malloot had namelijk bedacht dat er in
alle hotelkamers een levensgrote spiegel náást de
toiletpot werd geplaatst. Ik weet niet hoe u op een toiletpot zit, maar ik zit
meestal ontzettend te hangen en ik moest met tegenzin concluderen, dat er van
alles met me mee hing. Ik was op slag om. Werk aan de winkel voordat het echt
te laat is.
Edith Moerenhout
Dinsdag, 16 November 2010
Meet & Greet met
Andy Schleck
Dikke druppels hangen aan zijn rastavlechtjes en
zijn mooie rode bolletjesshirt zit onder de moddervlekken. En dat terwijl hij
nog geen meter heeft gefietst. Het zal er ook niet meer van komen, want zojuist
hoorde de 19-jarige Alistair
Monte van de organisatie van de Amstel
Curacao Race dat de race definitief afgelast wordt.
Een zware onweersbui en het daarbij horende pak regen heeft de straten van Curacao in een mum van tijd volledig blank gezet. Nu
fietsen zou gekkenwerk zijn. Alistair baalt. Hij had
gewoon willen vertrekken, weer of geen weer. Bang om te vallen is hij niet.
“Dat hoort er gewoon bij,” klinkt het stoer uit zijn mond.
De eilandbewoner was er helemaal klaar voor. Bijna
elke dag had hij keihard getraind. De laatste weken had hij wat extra rust
genomen om topfit aan de start te komen. Vorig jaar was hij nog 35e,
maar dit jaar… dit jaar zou hij serieus uitpakken. In een jaar tijd was hij véél sterker geworden. Zijn tactiek om zijn prestatie te
verbeteren was simpel. “Gewoon voorop rijden.” Achteloos laat hij ontvallen dat
hij één van de beste wielrenners van het eiland is. Zijn coach is druk bezig om
hem in Europa te krijgen en als hij ’s avonds in zijn bed ligt, droomt hij van
overwinningen in de Tour de France.
Vandaag had hij zich met de grote mannen kunnen meten: Frank en Andy Schleck, Allessandro Petacci, Tony Martin, Jurgen van
den Broeck en natuurlijk Koos Moerenhout.
Als de speaker vertelt dat de organisatie als
alternatief de dag erop een criterium organiseert, haalt Alistair
zijn neus op. Dat was niet echt wat hij in gedachten had. Met 200 wielrenners
op een klein rondje, dat vindt hij maar gevaarlijk. Zijn woorden “vallen hoort
erbij” hangen nog ergens vaag in de lucht. De sambaband die zojuist nog dapper
in de regen stond te trommelen, is nu definitief afgehaakt en alle
profwielrenners duiken het café in voor een “meet & greet”
met de vele wielertoeristen. Alistair sjokt achter de
meute aan, hij wil nog wel een handtekening halen van Andy Schleck.
Ik zie hem gaan en een gevoel van medelijden overvalt me. Dichter bij de Tour
de France als vandaag zal hij waarschijnlijk nooit geraken.
Edith
moerenhout
Dinsdag, 9 november 2010
Ik wrijf mezelf in de
handen.
Nu de klok is verzet, krijg ik het echte
wintergevoel en dat betekent schaatsen. Eén van mijn favoriete rijdsters is Ireen Wüst. Al is het alleen maar
omdat ze uit Brabant komt en zo heerlijk smakelijk voor de camera kan vertellen
wat er allemaal goed of slecht ging in haar race. Aankomend weekend staat het
Nederlands Kampioenschap afstanden voor de deur en ik ben razend benieuwd hoe
het met oons Ireen zal gaan.
Waar menig schaatser het liefst zijn neus zou ophalen voor alle vormen van
nationale kampioenschappen, heeft Ireen daar geen
last van. Het maakt haar niet uit of dat ze een open kampioenschap van Lutjebroek rijdt of dat ze een World Cup in Berlijn schaatst.
Zodra ze haar schaatsen in de startlijn prikt, gaat de blik op oneindig en het
verstand op nul. Altijd! Dat zo’n instelling niet altijd goed is voor je
lichaam en geest, heeft ze, net als teamgenootje Sven Kramer, inmiddels aan den
lijve ondervonden. Haar jaren tussen de plakken van Turijn en Vancouver waren kommer en kwel door onder andere een teveel
aan training. De goedlachse Brabantse heeft er waarschijnlijk een ingebouwd
alarm aan overgehouden. Na teveel training gaan de bellen rinkelen en is het
tijd voor rust. Daarnaast staat er ongetwijfeld een heel legertje aan
begeleiders klaar om deze wilde furie in bedwang te houden. Of het ze gaat lukken? Ik hoop het niet, want
ik wil Ireen graag vanaf het begin van het seizoen
gewoon ouderwets zien zwoegen, zien werken en zien winnen. Niks mooiers om een
sporter te volgen die er hélémaal voor gaat. Ireen weet zelf ook wel dat ze amper aan banden te leggen
is. Natuurlijk praat ze er een beetje omheen. Voor haar eerste wedstrijdje
schreef ze op haar website “Ik ga blanco aan de wedstrijd beginnen, zonder
richttijd, zonder verwachtingen.” Ja ja, Ireen, mij houd je niet voor de gek. Je hebt jezelf
trouwens toch al verraden hoor, want als je eind september nog op een
operatietafel hebt gelegen en je wilt dan toch alle afstanden rijden op het NK,
inclusief degene die je never nooit kan winnen, dan
ben je volgens mij knettergek. Heerlijk toch!
Knallen Ireen, mijn zege heb je.
Edith Moerenhout
Dinsdag, 2 november 2010
De wielersport geeft en
neemt
In gedachten verzonken staar ik naar het kunstwerk,
dat momenteel bij ons in de kamer staat. Koos kreeg hem het afgelopen weekend
tijdens een feestavond van de ploeg. Het is een reusachtige collage met
wielerfoto’s uit zijn loopbaan. Mijn blik blijft rusten op een plaatje met twee
lachende wielrenners. Het zijn Koos en Robert Gesink.
Aan het kaderplaatje van Gesink zie ik dat de foto
stamt uit de Tour de France van het afgelopen jaar. Het was een mooie tijd voor
de man uit de Achterhoek. Maar de koers is geweest en zijn herinneringen aan
zijn goede prestaties daar, zijn momenteel ver naar de achtergrond verschoven.
Ook zijn bewonderenswaardige overwinning in de Giro di
Emilia heeft nu even geen enkele waarde meer.
Afgelopen zaterdag overleed zijn vader aan de gevolgen van een zware valpartij
tijdens een mountainbiketocht in Limburg. En waar zijn collega-wielrenners nu
van een welverdiende vakantie gaan genieten, moet Robert opnieuw het
strijdtoneel op. Deze keer niet strijdend tegen een ander, maar vooral tegen
zichzelf. Ik kan het wrange van de hele situatie maar niet uit mijn hoofd
krijgen. Robert die elk jaar vanwege zijn werk glibbert over natte keitjes, die
duwt en trekt in het peloton om zijn plekje veilig te stellen, die met
ijzingwekkende snelheden een berg afjaagt en die regelmatig risico’s moet nemen
om een goede uitslag te rijden. Dat je dan uitgerekend je vader moet verliezen
tijdens een recreatieve fietstocht. Een tochtje dat normaal gesproken plezierig
en ontspannen hoort te zijn. Ik weet niet wat de dood doet met een mens of met
een wielrenner en wat voor invloed het zal hebben op Robert zijn carrière. Maar
ik kan me zo voorstellen dat de fiets voorlopig een poosje werkeloos in een
hoekje van de garage blijft staan. Boosheid en verwarring hangen om het stalen
ros heen. Want hoe kan het nou, dat de wielersport Gesink
aan de ene kant zoveel mooie momenten heeft gegeven, maar aan de andere kant nu
één van zijn dierbaren heeft weggenomen? Toch komt er een dag, waarschijnlijk
gewoon ergens in deze winter, dat Robert de fiets weer pakt voor zijn eerste
training. Niet omdat hij daar zoveel zin in heeft, maar gewoon omdat hij weet
dat zijn vader het zo gewild zou hebben.
Edith Moerenhout,
dinsdag, 26 oktober 2010
Ik
wil geen kleutergymnastiek
Turnster Suzanne Harmes is
bezig met haar grondoefening. Ademloos zit ik aan de buis gekluisterd. In mijn
prille jeugd heb ik zelf enige jaren op zo’n mat gestaan en droomde ik van
medailles op wereldkampioenschappen en Olympische Spelen. Gymnastiekvereniging
Vlug & Lenig uit Oud Gastel en een immens stijf
lichaam brachten mij niet op het internationale podium, maar de interesse in de
turnsport is altijd gebleven. Alles lijkt te kloppen aan Harmes’
oefening. Lijkt, want op de één of andere manier ziet het er toch vreemd uit.
Ik kan er de vinger aanvankelijk niet op leggen, totdat het kwartje valt.
Natuurlijk, dat ik dat niet eerder heb gezien… Suzanne heeft borsten! Ze
draaien vrolijk mee met haar pirouettes, schudden heen en weer tijdens haar
aanlopen richting kunst- en vliegwerk en gaan vrolijk mee over de kop tijdens
haar salto’s. Ohh yeah! Wat
ik hier zie bevalt me eigenlijk wel! Ik wil nóg meer
zien. Borsten zwevend boven het paard, borsten hangend aan de brug, borsten
aarzelend over de evenwichtsbalk. Wacht eens eventjes, u denkt toch niet dat ik
één of andere viezerik ben hè? Want daar zeg ik het niet voor hoor. Ik ben
alleen erg blij dat ik na jaren weer wat vrouwen signaleer in plaats van louter
meisjes. Want hoe lang hebben we niet moeten kijken naar de Chinese en
Roemeense kinderlichaampjes? Het waren meisjes die de basisschool amper
ontgroeid bleken te zijn. Plat van voor, plat van achter, twee staartjes in het
haar en roze speldjes om de boel op te fleuren. Klaar moet het daar mee zijn,
want ik wil tijdens een wereldkampioenschap niet het gevoel hebben dat ik naar
kleutergymnastiek zit te kijken. Ik wil volwassen meiden zien die de
inspanningen van topsport aan kunnen. Jonge kinderen en tieners die, pak hem
beet, meer dan dertig uur per week trainen, hebben voor mij niets met topsport
te maken. Dat noem ik gewoon kinderarbeid. Dus geen pierlala staartjes meer in
de gymzaal, maar gewoon vrouwen zoals Suzanne Harmes.
Vrouwen met borsten.
Edith Moerenhout
dinsdag, 19 oktober 2010
Wij
willen bloed
Ik
tuur naar mijn voeten, of beter gezegd, naar de stenen eronder. Wat zou zich hier
onder mijn schoenzolen allemaal hebben afgespeeld? Koos en ik staan op het
mooiste plein van Rome, het Piazza Navona, en volgens de geschiedenisboeken staan wij nu
bovenop de resten van een atletiekstadion dat Keizer Domitianus
tussen 81- 96 liet neerzetten. Meer dan 60.000 mensen keken hier naar de van
oorsprong Griekse atletiekwedstrijden zoals hardlopen, worstelen en
discuswerpen. Erg enthousiast waren de Romeinen in het begin niet over deze
wedstrijdjes. Er gebeurde hier geen fluit! Liever streken zij een eindje verder
in de stad neer in dat andere stadion, het Colosseum.
Hoewel sporten, daar was eigenlijk geen sprake van. Hier werd gestreden,
gevochten en gejaagd. Tot de dood erop volgde. Bloed was wat het volk wilde
zien! Slaven, criminelen en ander uitschot stonden hier tegenover geoefende
gladiatoren of tegenover wilde beesten. Een paar jaar geleden hebben Koos en ik
het Colosseum van de binnenkant bekeken en zagen we
van boven af de hokken onder het “speelveld” waar de gevangen en de beesten opgesloten
werden. Het was amper voor te stellen dat hier bijna 2000 jaar geleden voor het
plezier van de bevolking complete slachtpartijen plaats vonden. Een vreemd
idee, dat je op zondagmiddag je buurvrouw ophaalt, je knapzak vult en samen
gezellig met de kindertjes gaat kijken hoe de kinderlokker een eindje verderop
uit de straat in vieren wordt gedeeld, zijn hart wordt uitgestoken of als
toetje aan de leeuwen wordt gevoerd. Jakkes… hoewel, als ik eerlijk ben,
schuilt er denk ik in iedereen van ons wel een onbedwingbare behoefte om naar
het leed van een ander te kijken. De file aan de andere kant van de snelweg na
een ongeluk is altijd langer dan die achter het ongeluk zelf. Als het in de
koers een massasprint wordt, zit ik op het puntje van de bank. Niet dat ik wil
dat de renners vallen, maar áls het gebeurt, moet ik
het wel zien! En zeg eens eerlijk, hoe vaak heeft ú vorige week de beelden van
de gruwelijke tackle van voetballer Nigel de Jong teruggekeken?
Edith Moerenhout
12 oktober 2010
Afscheid
nemen doet pijn
Bedrukt zit ik samen met mijn schoonzus naar het
televisiescherm te staren. De koers is voorbij en om ons heen wordt het weer
rustig. Koos zijn ouders zijn naar huis, mijn zwager begint weer aan zijn
verfklus en de kinderen verdwijnen of richting het speeltuintje of richting hun
kamers. Een leeg gevoel overvalt ons. Een half uurtje geleden gierde de
adrenaline nog door het lichaam. Wat een spannende wedstrijd en wat reed Koos
fantastisch! Het was een enerverend nachtje waarbij onze gevoelens over elkaar
heen leken te buitelen. Zo waren we euforisch, dan weer verbaasd, teleurgesteld
of hoopvol. En nu is het zomaar ineens klaar?
We zijn haast verontwaardigd als Dione
de Graaff vertelt dat we over gaan naar paardensport, of badminton, of
motorracen. Geen idee eigenlijk wat ze bazelt, maar wij zijn mentaal nog niet
in staat om Koos zijn laatste wedstrijd los te laten. Het idee dat we hem nooit
meer in de koers zien schitteren, staat ons nog niet zo aan. We zappen door
naar de Belg die ons gelukkig hélemaal begrijpt. Zij
starten direct na de koers met een uitgebreide samenvatting. En hoewel ik normaal
gesproken nooit naar de herhaling kijk, doe ik het nu wel. En het voelt
eigenlijk wel goed. Volkomen relaxt, bekijken we met zijn tweetjes de wedstrijd
nog een keer. De oranje tompouce die vannacht alleen al door de aanblik mijn
maag haast liet omdraaien, smaakt nu prima. Nog één keer genieten we van Koos
zijn verrichtingen en verbazen ons nog maar eens over de prestatie die hij
heeft neergezet. Het is goed zo. Voor alles is een tijd en we hebben er vrede
mee.
Denken we. Want een half uur na deze uitzending
begint het alweer te knagen. Een halfslachtige poging om de draad van alledag
weer op te pakken volgt. Het mislukt faliekant. En uiteindelijk geven we ons
gewoon over aan het verlangen, nog zoveel mogelijk van Koos te zien. Nu kan het
nog! We surfen over het internet voor reacties, bekijken de sportuitzending van
één uur, schakelen door naar de middaguitzending van Eurosport en eten ’s
avonds met het bord op schoot achter de televisie om de laatste beelden op ons
netvlies te branden. Het valt niet mee, afscheid nemen doet pijn…
Edith Moerenhout
Dinsdag, 5 oktober 2010
Het
goede doel van Koos
Een poosje geleden in huize Moerenhout. Tringggg, tringggg, de telefoon
gaat. Of Koos thuis is? Nou, dat was hij toevallig niet, maar kan ik u misschien
helpen? Ik heb een zekere meneer Van de Donk aan de lijn. Ik ken hem niet, dus
stel ik mij argwanend op. Sinds Koos het afgelopen jaar haast dagelijks in de
media is verschenen, heb ik nogal wat mensen aan de lijn die “iets” van Koos
willen. Zo ook deze meneer. Of Koos een week na het wereldkampioenschap zin
heeft om in Waalwijk met een toertocht mee te rijden.
Zin, zin… natúúrlijk heeft hij daar een week na het
WK geen zin in! Hij is al vanaf januari dit jaar op en af aan het rijden. Heeft
de Tour gedaan, een dozijn criteriums en direct doorgestoomd richting het WK.
Gun de beste man toch eens wat rust! Dat zeg ik meneer Van de Donk natuurlijk
niet, ik denk het alleen maar. Aan de andere kant, het kan best zo zijn dat
Koos uit gewoonte weer zijn fiets achterin de auto gooit en al fluitend zijn
stalen ros bespringt. Eerlijk gezegd heb ík er gewoon
geen zin in. Hij moet maar eens lekker thuis blijven. Bij ons dus. Ik laat de
beste man netjes zijn verhaal doen en bereid hem er alvast voorzichtig op voor
dat Koos vanwege zijn drukke agenda mogelijk geen interesse heeft. “Maar,” zo
besluit meneer Van de Donk, “alle renners die we voorgaande jaren hebben
gevraagd werden wél wereldkampioen. Marianne Vos is
al eens geweest en Lars Boom. Dus…” En hij laat een stilte vallen. Nu nog
mooier, ik word hier gewoon gechanteerd! Stel dat ik niets tegen Koos zeg over
dit telefoontje en hij wordt géén wereldkampioen, dan
vergeef ik me dit zelf natuurlijk nooit! Hmm,
dilemma. Uiteindelijk heb ik het verhaal toch maar aan Koos opgebiecht, dan
moet hij zelf maar beslissen. En wat denkt u? Hij heeft gewoon toegehapt. “Het
is toch voor het goede doel?” zo sprak hij onschuldig. Dat is waar. Dus tuft
hij een week na het WK gewoon richting Waalwijk. Niet
voor zijn eigen goede doel trouwens, maar voor het goede doel van meneer Van de
Donk. Geld inzamelen voor hospice Francinus
de Wind. Vooruit dan maar.
Edith Moerenhout
Dinsdag, 28 september 2010
Elk nadeel heeft zijn voordeel
Arme
Coleen. Dat je vent vreemd gaat is één ding, maar dat alle vunzige details dan
ook nog eens de hele wereld over gaan, dat is helemaal een ramp. Ik heb het
hier over de zondaar Wayne Rooney,
spits bij Manchester United, wiens seksuele escapades onlangs uitgebreid in het
nieuws kwamen. Ik zou niet graag in de schoenen staan van deze onfortuinlijke
dame. Bij elke stap die zij nu buiten de deur zet, wordt ze nagekeken,
nagewezen of besmuikt uitgelachen. Want mensen zijn nu eenmaal dol op het leed
van een ander. Maar beste Coleen, zoals Johan Cruijff ooit sprak: elk nadeel
heeft zijn voordeel! Dus pak jezelf bij elkaar en doe zoals Victoria Beckham
deed, toen zij achter de avontuurtjes van haar David kwam. Bedek zijn foutjes
met de mantel der liefde en neem het heft van jullie leven in handen. Je geeft
hem nog een allerlaatste kans. Op één voorwaarde dan. Dat hij vanaf nu naar jóuw pijpen danst. Om eerst wat rust in de tent te brengen,
verlaat je Engeland en regel je voor hem een contractje in het Midden-Oosten.
Je zoekt een mooie club uit zoals Steel Azin
Tehrann (Iran) of Al Wasl
(Verenigde Arabische Emiraten). Zeker weten dat Wayne
daar niet in de verleiding komt. De dames lopen er in burka’s
en met temperaturen tussen de 40 en 50 graden Celsius is het voor eventuele
nevenactiviteiten toch te warm. Wayne speelt tegen
zonsondergang zijn wedstrijdjes en zorgt ervoor, dat hij ’s avonds voor het
sluiten van de poort van jullie compound, weer veilig
naast jou op de bank zit. Je vraagt of Victoria je wilt introduceren in de fashion industrie en binnen de kortste keren stamp je je eigen mode label uit de grond. Met opgeheven hoofd keer
je over een paar jaar terug naar Engeland, waar Wayne
slechts als een hip accessoire aan je arm bungelt. Dus niet meer huilen Coleen,
over een paar jaar ben jíj de ster.
Edith Moerenhout
Dinsdag, 21 september 2010
Over
en uit
Daar stond ik dan gisteren op de tribune “Concorde”
aan de Champs-Élysées in Parijs. Voor de aller-
allerlaatste keer. En ik moet zeggen, dat was best emotioneel. Nu is de aankomst
van het peloton in de Franse lichtstad sowieso al heel bijzonder, maar met het
aangekondigde afscheid van Koos was dit wel een hele speciale editie. ‘Dit komt
nooit meer terug,’ heb ik zeker een aantal keren gedacht. En dat was best een
vreemde gewaarwording. Toen Koos vorige week woensdag tijdens de rustdag
aankondigde dat hij volgend jaar de rugnummers niet meer zal opspelden, belde
’s middags collega journalist Ad Pertijs om me te
feliciteren. Het was tenslotte toch een overwinning voor de familie. Vond hij.
Ik moet zeggen dat ik hier even over moest nadenken. Natuurlijk is er straks
meer ruimte voor een sociaal leven, althans daar ga ik wel vanuit, en kunnen we
dingen gaan doen die voor een ander gezin heel normaal lijken. Maar dat is niet
het gevoel wat nu bij mij overheerst. Ik realiseer me vooral dat wij beiden nu
een hele enerverende periode uit ons leven gaan afsluiten. Als wij later oud en
grijs zijn en we kijken terug op ons leven, dan zullen de wielerjaren van Koos
en die van mezelf er toch bovenuit springen. Het wielrennen heeft ons gemaakt
tot wat wij nu zijn en dat er aan deze periode nu een einde komt, dat is best
even wennen. Maar het gaat zeker een stukje rust brengen. Geen stress meer over
opkomende verkoudheidjes, aflopende contracten, niet-selecties, barre winters,
slechte benen of gemiste kansen. Nog één keer heb ik gisteren genoten van het
ererondje dat alle ploegen na de wedstrijd op de Champs-Élysées
rijden. De renners uitgemergeld, maar opgetogen en ontspannen. Blij als een kind
dat de Tour eindelijk gedaan is. De staande ovatie die het publiek alle renners
gaf, was ook deze keer weer zeer indrukwekkend. En toen werd het langzaam stil…
De laatste renners verdwenen van het parkoers
en de tribunes bleven leeg en verlaten achter. De tour is gedaan. Over
en uit. En de naam Koos Moerenhout zal nooit meer op de deelnemerslijst
verschijnen.
edithmoerenhout@hotmail.com
Maandag, 26 juli 2010
Net een bevalling
Kent u die vreemde tot de verbeelding sprekende
uitdrukking: met je hol open rijden? Nou, als er één onderdeel is waarop dit
gezegde betrekking heeft, dan is het wel het tijdrijden. Met de armen al
liggend op het stuur en de rug nog wat krommer gebogen dan normaal, komt het
“hol” als vanzelf naar boven. Vandaag mogen, nee moeten, alle renners nog één
keer de billen in de lucht steken tijdens de tijdrit over … km. Voor de één een
verkapte rustdag, voor de ander een laatste kans om te laten zien waartoe hij
in staat is. Ondanks het feit dat Koos dit onderdeel prima beheerst, heeft hij
hiermee toch een echte haat-liefde verhouding. Je weet
namelijk op voorhand dat wanneer je voor de prijzen wilt meefietsen, je
ongelooflijk moet afzien. Ofwel, met je hol open rijden dus. Tja, zo noemen ze
dit nu eenmaal, daar kan ik ook niets aan doen. Maar hoe dit voelt? Hmm, hoe zal ik het eens omschrijven… Misschien begrijpen
vrouwen die ooit een kind hebben gebaard hoe pijnlijk dit onderdeel is, want
een tijdrit is misschien wel een béétje te
vergelijken met een bevalling. Een béétje dan hè. Je
weet van te voren namelijk dat het pijn gaat doen én
ontsnappen is niet mogelijk. Je moet het ‘gewoon’ ondergaan. Tijdrijden voelt
volgens mij als een centimetertje of zes ontsluiting. Een zéér
zéér onaangenaam gevoel, maar met de nodige
concentratie is het nog wel te behappen. Gewoon een kwestie van ogen dicht doen
(op de fiets trouwens níet aan te bevelen!), je hoofd
leeg maken en concentreren op je ademhaling. Geloof mij, dan kun je de pijn
lang verdragen. En daar is waar het allemaal om draait bij tijdrijden: hoeveel
pijn kun jíj aan? De niet-tijdrijders blijven op een
centimetertje of vijf hangen, denkend dat wat zij voelen al échte
pijn is. Maar de echte bikkels gaan wel tot een ontsluiting van acht of negen
centimeter en zij die voor de winst gaan, gaan echt tot het gaatje. Bingo! De
volle 10 centimeter. Ik ben benieuwd wie er vandaag na drie weken koers de
beste tijd uitperst.
edithmoerenhout@hotmail.com
Zaterdag, 24 juli 2010
Dikke pillen
Na al die Pyreneeën reuzen van de afgelopen dagen,
mogen de renners nu genieten van een welverdiend dagje rust. Maar er zijn meer
mensen die aan rust toe zijn. Gerard Kemper bijvoorbeeld. U kent hem niet? Gerard
is één van de verzorgers bij Rabobank. Vult dagelijks honderden bidonnetjes,
masseert de renners en sjouwt elke dag met de koffers van de coureurs. Hotel
in, hotel uit. Gerard is een echte Noord-Hollander. Groot, stevig, blond en zo
sterk als een beer. Maar het gaat niet goed met hem. Heeft last van zijn knieën
en zijn rug en elke dag wijst zijn neus een beetje verder naar de grond. Iedere
avond wanneer hij zich een bult werkt op de verzuurde benen van zijn renners,
zou hij het liefst zelf op de massagetafel klimmen. Het is maar goed dat hij
niet weet dat zijn pijntjes worden veroorzaakt door zijn eigen renners. Maar da’s waarschijnlijk een kwestie van tijd, want vroeg of
laat zal hij zwaar geïrriteerd de koffer van Koos openen, om te zien waarom dat
kreng zo godsgruwelijk zwaar is. Ik zie hem al staan met een verbaasde blik,
wat een dikke pillen! Van boeken over Rome welteverstaan. Sinds Koos en ik een
aantal bezoekjes hebben gebracht aan deze stad, is Koos helemaal verslaafd
geraakt. Hij wil alles weten over Ionische zuilen en paus Julius II. Gerard
kijkt argwanend naar de boeken in de koffer. Rome: kunst en architectuur, 1000
meesterwerken van de Europese schilderkunst en De koepel van Brunelleschi, leest hij. Wat is dit voor intellectuele
shit? Da’s toch geen voer voor renners? Dat hij zijn
rug moet krommen voor zijn mannen is tot daar aan toe, dat is part of the job.
Maar lopen sjouwen met een stapel kunst- en cultuurboeken? Dat is een
regelrechte belediging aan het adres van deze mannen-man.
Hij weet nu al dat hij die boeken voor Piet Snot meedraagt, want welke coureur
heeft aan het einde van een zware dag nog trek in het analyseren van de
schilderijen van Caravaggio? Pas maar op Koos, jij
krijgt straks nog een draai om je oren van Kemp. Niet met die 1000
meesterwerken, maar ‘gewoon’ met een Playboy.
edithmoerenhout@hotmail.com
Woensdag, 21 juli 2010
Winnie de Poeh is
interessanter
Regelmatig vragen mensen mij of dat de kinderen hun
vader missen als hij zo vaak van huis is. Ik zou hier kunnen vertellen dat ze
dagelijks uren met hem aan de telefoon hangen, dat ze constant naar hem vragen
of zelfs ’s avonds huilend in hun bedje liggen van heimwee. Maar als ik dat zou
verkondigen, zou ik liegen dat ik barst. Nee, de kinderen missen hun vader niet
als hij weg is. En dat vind ik ook niet vreemd, want net als mij, zijn zij
gewend aan het bijzondere leven van hun vader. Dat hij veel van huis is, hoort
er nu eenmaal bij. Natuurlijk vragen zij wel eens naar hun vader of willen zij
soms spontaan even bellen, maar dat is dan op de momenten dat het hun uitkomt.
Koos en ik willen zo aan het einde van de middag nog wel eens met elkaar aan de
telefoon hangen. Ik ben dan meestal bezig met het avondeten, de kinderen hangen
uitgeblust achter de tv. Mijn vraag of zij dan misschien nog even met papa
willen kletsen, wordt zeer regelmatig met ‘nee’ beantwoord. Winnie de Poeh,
Mickey Mouse en Spongebob blijven voor Lynn en Kas toch minstens zo interessant als hun eigen
vader. “Nou, ik weet weer hoe het zit,” klinkt het dan meestal knorrig aan de
andere kant van de lijn. Nog zo’n subtiele hint van de kinderen: als beiden na
een kort gesprek aan Koos vragen: “Moet je mama nog even spreken?” Maar deze
keer is het anders. Al voordat de Tour goed en wel was gestart, liepen de kinderen
al te zeuren. “Wanneer komt papa nou thuis?” “Is de Tour al bijna afgelopen?”
en “Wanneer gaan we papa halen?” Gek word ik ervan. Elke dag wordt het
riedeltje opnieuw afgedraaid. Toen we zelf in de Tour zaten, was het even wat
minder. Maar nu we thuis zijn, barst het gemis weer in volle hevigheid los.
Hoewel gemis? Misschien had papa voordat hij vertrok niet moeten beloven dat
hij bij terugkomst met de kids naar McDonalds zou gaan…
edithmoerenhout@hotmail.com
Maandag, 19 juli 2010
De mannen van X-tra
Na een weekje Tour de France zijn wij eindelijk weer
thuis, terug in Pierre Montagne (lees: Steenbergen).
De wasmachine heeft inmiddels de eerste wasjes gedraaid en ik hoef nog maar één
tas uit te pakken. En dat is de tas van dochter Lynn
met al haar fraaie vondsten uit de tourkaravaan. Lichtgevende armbandjes,
portemonneetjes, petjes, shirtjes, foldertjes en zakjes X-tra.
Ach ja, de mannen van X-tra. Hoe zou ik die nou
kunnen vergeten? Toen ik ze voor de eerste keer voorbij zag komen, viel mijn
mond open van verbazing. Wat is dit zeg? Met slechts een minuscuul rood broekje
aan, stonden de heren al paaldansend op de wagen. Vette housebeats toeterden in
onze oren en de bewegingen van de heren logen er niet om. Ferm wierpen zij de
heupen naar voor en naar achter, om de dames langs de route het toch al
verhitte hoofd op hol te brengen. Met slechts een setje veiligheidsgordels
tussen de benen kon je er met een beetje fantasie zo een sm-act
bij fantaseren. Heel slim van die kerels om zich puur op de vrouwelijke
toeschouwers te richten. De dames doen in de meeste huishoudens tenslotte toch
de boodschappen. Alle andere deelnemers uit de karavaan hadden dit niet
helemaal goed begrepen. Hun wagens stonden vol met mooie vrouwen. Leuk voor al
die kerels aan de kant, maar al die grote ogen, wapperende blonde haren en
lange benen leidden alleen maar af van de werkelijke boodschap. Alsof de heren
langs de kant werkelijk geïnteresseerd zijn in de worstjes van Cochonou of de droge crackertjes van Belin.
Laat staan dat zij deze producten in hun boodschappenwagentjes gooien bij een
toevallig bezoekje aan de supermarkt. Dan snappen de heren van X-tra beter hoe zijn hun waar aan de man, ehh… ik bedoel aan de vrouw moeten brengen. Boem, boem,
zwiep, zwiep, hupsakee, daar stootten zij weer wat
van dat witte spul in de lucht! Mocht ik in de toekomst in een Franse
supermarkt lopen en ik heb nog wat waspoeder nodig, reken maar dat ik voor X-tra ga! En dan is de missie van de heren ondanks de
ietwat ordinaire bewegingen toch geslaagd. Boem, boem, zwiep, zwiep!
edithmoerenhout@hotmail.com
Zaterdag, 17 juli 2010
De baas van de parking
Ik zit in de deuropening van de camper en kijk schuin naar
beneden naar een kleine parking die vol staat met andere campers. Voor één van
de campers zit een dikke, vadsige kerel in een geel smoezelig shirt. Je ziet
het er niet aan af, maar deze man is vandaag de baas over de parking. Tenminste
dat vindt hij. Vanochtend draaiden wij samen met een kennis onze campers op de
parking. De overige kampeerders op de parking stonden in een mooie cirkel
opgesteld met uitzicht op de weg. Later die dag zouden hier de renners passeren
op weg naar de Col des Saissies. Ik geef toe, het was
misschien een beetje asociaal om onze niet zo klein uitgevallen bolides voor
hun neus te plaatsen, maar in de Tour moet je maar voor één ding zorgen en dat
is voor jezelf. De avond ervoor waren wij al de Col de la Colombière
opgereden op zoek naar een geschikte plaats, maar geen enkel plekje kon onze
goedkeuring wegdragen. Mijn vader wilde hem uiteindelijk ergens naast een
openbaar toilet parkeren, maar daar paste ik voor. Ik ga niet in andermans
zeiklucht staan. Uiteindelijk reden wij in het schemerdonker de Alp weer af, om
ergens langs de kant van de weg te overnachten. ’s Ochtends gingen wij alweer
vroeg op pad om onze zoektocht naar het mooiste plekje voort te zetten.
Uiteindelijk stuitten wij op de parking van de bazige Franszoos. De motor van
de camper draaide nog of Dikkie Dik stond al voor
onze neus kabaal te maken. Hoe we het in ons hoofd haalden om hier te parkeren?
We stonden niet eens bij hem voor de deur, maar hij voelde zich blijkbaar
geroepen om het voor zijn medeparkeerders op te nemen. Zijn vrouw hield zich
stilletjes op de achtergrond. De gemoederen liepen hoog op en een knokpartij
werd maar net voorkomen. Uiteindelijk besloten we maar eieren voor ons geld te
kiezen. Renner of toeschouwer, het maakt niet uit. In de Tour moet je vechten
voor je plek. Deze slag hadden we verloren.
dinsdag 13
juli 2010
Het moet niet gekker worden
De hele week
heb ik Koos amper gezien in de koers. Thuis achter de tv zat ik met mijn neus bijna
tegen het scherm aangedrukt. Zoekend naar zijn bekende houding: knieën naar
binnen, zijn hand vegend langs zijn neus, het hoofd ietwat scheef en natuurlijk
de bekende rood-wit-blauwe biesjes aan zijn mouwtjes.
Ik besloot samen met mijn vader en kinderen per camper af te reizen naar de
Alpen. Misschien had ik daar meer geluk om hem te spotten. Ik stond buiten in
de zon een handwasje te draaien, toen dochter Lynn
vertelde dat ze de naam van haar vader op televisie had gehoord. Ongelooflijk,
meneer had één van de zwaarste ritten uitgezocht om zijn snuit te laten zien.
Alsof dat geen echte liefde was! Vanaf dat moment waren wij de camper niet meer
uit te slaan. Samen met zijn medevluchters zat Koos nu in de laatste kilometers
van de verschrikkelijke Col de la Ramaz. Het zou niet
lang duren voordat ze hier voorbij kwamen. Opeens zag ik vanuit de camper over
de weg een Raborenner voorbij fietsen. De knieën naar
binnen, hand vegend langs de neus, het hoofd ietwat scheef en rood-wit-blauwe biesjes aan zijn mouwen. Zijn rits hing
wagenwijd open en achter hem reed een motor. Ik werd helemaal gek. Verdomme,
zat ik hier in die camper gebiologeerd naar het scherm te staren, terwijl
buiten Koos onder mijn neus voorbij reed. Woest was ik en stampvoetend stond ik
in een seconde buiten. “Kooooooossss,” riep ik zo
hard mogelijk in de hoop dat hij me hoorde. Het publiek langs de kant leek me
uit te lachen. Ik snapte er niets van me, mijn reisgenoten keken me vreemd aan.
“Zeg, hij zit hier gewoon op de televisie hoor, hij is bijna boven,” hoorde ik
iemand zeggen. Pas na een minuut geloofde ik het. De tourkaravaan moest nog
voorbij komen. Ik weet niet wat er in mijn hoofd gebeurde, ik zag
waarschijnlijk wat ik wilde zien. Koos alleen aan de leiding. Pff, het moet niet veel gekker worden hier.
edithmoerenhout@hotmail.com
maandag, 12
juli 2010
De
armpjes van Andy
Het gaat een mooi sportweekend worden mensen, dat kan niet anders. De wielrenners die voor het eerst hun krachten gaan meten in de Alpen en natuurlijk morgen “onze” voetballers die de Spanjaarden voetballes gaan geven. Ik moet eerlijk zeggen dat ik geen echte voetbalfanaat ben. Net zoals vele andere Nederlanders begin ik pas te kijken als het Oranje legioen ver is doorgedrongen tot de finale. Tijdens één van de kwalificatiewedstrijden, ik geloof dat het tegen Japan was, ben ik doodleuk ’s middags mijn boodschappen gaan doen. Lekker rustig in de winkel. Gelukkig was ik net voor de 90e minuut binnen, want die allerlaatste beelden móet ik gewoon zien. Vanaf het moment dat de voetballers met beide handen de onderkant van het shirt beetpakken, zit ik op het puntje van de bank. Ja mannen, trek dat shirt maar uit. Mijn man is ook wel gespierd, maar da’s voornamelijk onder de gordel. Zo’n sixpackje zoals de meeste voetballers hebben, zou ik ook best in huis willen hebben. Dat ga ik trouwens niet tegen Koos zeggen, want dan krijg ik direct de wind van voren. Ik kan zijn commentaar al dromen. “Werk maar aan je eigen sixpack.” Joh, weet je wat ik me net zit te bedenken? Stel je toch eens voor dat ook de wielrenners aan het einde van de race hun shirtjes wisselen. De lange Bradley Wiggings (1.90 meter) die zich in het shirtje propt van Damiano Cunego (1.69 meter), of Thor Hushovd (83 kg) die uit de koerstrui van Contador (62 kg) scheurt. Misschien kan Koos wel een keertje met Cadel Evans ruilen? Zou best leuk staan zo’n regenboogshirt in de kast. Maar aan de andere kant, wat zouden wij dit weekend na Station des Rousses en Morzine-Avoriaz te zien krijgen? De dunne witte bovenarmpjes van Andy Schleck? Of misschien wel het graatmagere lichaam van Robert Gesink? Hmm, houd de shirtjes voorlopig maar aan heren. Ik kijk wel naar het sixpack van Mark van Bommel.
edithmoerenhout@hotmail.com
Zaterdag, 10 juli 2010
We zijn maar
marionetten
“Ik moet mezelf van
voren houden, het moet, het moet, het moet. Ahh, dit
gaat me niet meer lukken. Ben de hele dag al in de weer om Menchov
en Gesink voorin het peloton te houden. Telkens door
de wind naar voren met die mannen in mijn wiel. Daar komt weer een strook. Ohhhhh,verdorie, dit voelt echt niet lekker zeg. Dat geschokker aan mijn kont en mijn polsen. Wat doen we hier
eigenlijk zeg, wie heeft dit in vredesnaam bedacht? Zie ik er soms uit als Thor
Hushovd of Fabian Cancellara?
Gladde wegen moet ik hebben, mooi glimmend asfalt waar ik zestig kilometer in
het uur kan rijden. Ik rijd nog liever een berg op dan te moeten stofhappen
hier op die keien. Ach wat, we zijn toch maar marionetten van de organisatie.
Die willen spektakel gezien. Hoort er schijnbaar bij. Hadden ze zojuist even
bij Fränk Schleck moeten
gaan kijken, dan hadden ze spektakel kunnen zien. Voor hetzelfde geld valt een Contador of een Armstrong, heb je
meteen de hele Tour onthoofd. Ze doen maar, ik schokker wel door tot de finish.
Ik ga in ieder geval geen risico’s nemen op die geitenpaadjes hier. Is die
strook nou nog niet afgelopen? Als ik Joseph maar niet zie langs de kant. Ik
zie altijd iedereen, maar Joseph wil ik niet zien vandaag, dat is een slecht
voorteken. Hé, daar staat mijn pa! Ja, bijna twintig jaar geleden was ik blij
met Joseph. Reed ik Parijs-Roubaix bij de amateurs en
strandde ik met twee lekke banden moederziel alleen in dit armoedige landschap.
Iedereen reed me voorbij, niemand stopte om me te helpen. Ja, die motoragent
die een dorpje verderop nog wel een paar wielen zou regelen. Mooi niet, al het
reservemateriaal was op, heb niemand meer gezien. De bezemwagen was me allang
voorbij, het volk was weg. Geen idee hoe ik aan de streep moest komen. Toen
kwam ik Joseph tegen, een Belgische supporter, wilde me wel een lift geven. Hé hé, ik voel weer asfalt. Gelukkig, ik heb Joseph niet
gezien. Nog een paar stroken te gaan.”
edithmoerenhout@hotmail.com
Woensdag 7
juli 2010
Koos tovert zijn
zwembroek tevoorschijn
Of Koos wel wist dat hij zijn herhalingsrecept voor zijn hooikoorts bij de huisarts ook op een bandje kon inspreken? Nee, dat wist hij niet. Maar met het oog op de Tour legde Koos zijn verzoek liever in handen van de doktersassistente dan in handen van een anoniem bandje. “Ik moet volgende week namelijk naar Frankrijk,” gaf hij als verklaring. De vriendelijke dame werkte direct mee en wenste hem aan het einde van het gesprek een prettige vakantie en een goede reis toe. “Pff, een prettige vakantie…”, mompelde Koos toen hij de verbinding verbrak en schudde zijn hoofd, om er nog net niet aan toe te voegen: “Was het al vast maar voorbij.” (Tour de France renners beginnen op dag één namelijk al met aftellen!) Want met vakantie heeft de Tour de France helemaal niets te maken. Ook niet als je onder zomerse omstandigheden met de zeelucht in je neus door Zeeland heen scheurt. Zelf stond ik gisteren met de kinderen en mijn schoonfamilie op de Brouwersdam om een glimp van manlief op te vangen. Het leek me een ware kwelling voor hem, om zo dicht langs het Noordzeestrand, ons huisstrand, te moeten fietsen. Wij maakten het er al niet beter op voor hem, want daar stonden wij, lachend in onze badkleding met een koel flesje cola in de hand. Het zeewater droop haast nog uit onze haren en onze volgende stop was richting de ijscoboer. Groot was dan ook de schrik toen Koos pal voor onze neus keihard in de remmen kneep. Kon hij het niet meer aanzien, zoveel vakantieplezier? Even joeg de angstaanjagende gedachte door mijn hoofd, dat hij hier ter plekke zijn fiets in de berm zou leggen en onder uit zijn racebroek een zwembroek tevoorschijn zou toveren. Met alle liefde zou hij een heerlijk koel biertje aan zijn lippen zetten in plaats van een vieze plakkerige bidon met mierzoete sportvoeding. Gedaan was het met zijn tour. Gelukkig liep het niet zo’n vaart. Na ons allen een knuffel te hebben gegeven, vervolgde hij zijn weg. Hij heeft ongetwijfeld nog even aan de woorden van de doktersassistente gedacht. Fijne vakantie Koos, nog 21 dagen te gaan.
edithmoerenhout@hotmail.com
maandag, 5 juli 2010
Koos laat zich stevig
te grazen nemen
Zaterdag, 3 juli 2010
“Wat doe jij daar toch elke keer in Rotterdam?”
probeerde ik Koos laatst te ontfutselen. Hij keek me even fronsend aan en
murmelde wat. “Ehh, gewoon niks eigenlijk.” En hij
boog zich weer snel over zijn krant. Ik had natuurlijk kunnen weten, dat hij
hier geen antwoord op zou geven, want over duistere zaken praat je niet. Zeker
niet met je vrouw. Hij denkt misschien dat ik van niets weet, maar ik heb hem
heus wel door. Koos vertrekt regelmatig richting Rotterdam om zichzelf eens
lekker te laten afranselen. Ergens op een adresje aan de Mathenesserlaan
duikt hij naar binnen om eerst dwars door zijn ziel heen te laten kijken en
daarna… wordt hij stevig te grazen genomen door een kerel. Soms wel twee! Ze
pakken hem bij zijn nek, springen op zijn rug, sleuren aan zijn armen, sjorren
aan zijn ribben en trekken hem aan zijn rugvel het bed af. Totdat hij begint te
kraken en om genade smeekt, jaaa dan zijn die kerels
pas tevreden! Vervolgens weet Koos niet hoe snel hij de stad uit moet komen
terug richting de Welberg. Maar toch doet hij het elke keer weer opnieuw. Hij
vindt het gewoon lekker, die smeerlap. Ik zie het door de vingers, want ik
weet, Koos voelt er zich goed bij. Blijkbaar geven die kerels hem iets dat ik
hem als vrouw nooit zou kunnen geven. Als ik de blauwe plekken en rooie striemen weer op zijn lijf zie, weet ik dat het weer
bal is geweest daar in dat zaakje. Vreemd genoeg fietst hij daarna meestal de
klinkers uit de straat. Voelt zich herboren, alsof alles weer op zijn plaats
zit. Als het hem vandaag lukt om tijdens de proloog een topprestatie neer te
zetten, weet ik genoeg. Dan was het weer zover. Ik zie de rekening van de
haptonoom wel op de deurmat vallen.
Noeste arbeid
Vrijdag, 4 juni 2010
Diep van binnen schaamde ik me. Tijdens mijn gesprek
met een hoogbejaard echtpaar, vertelde de vrouw me dat ze vroeger om half zes
in de ochtend al op het land zat om te werken. En als dan ’s avonds om een
uurtje of tien de zon onder ging, vond ze het jammer dat het niet nog een half
uurtje langer licht was. Had ze nog even fijn verder kunnen werken.
Tja, van zoveel arbeidsmoraal werd ik wel even stil.
Natuurlijk liet ik dit niet merken. In een flits vroeg ik me af welke noeste
arbeid ik allemaal in mijn leven heb uitgevoerd. Mijn hoofd bleef angstvallig
leeg. Natuurlijk heb ik voor en na de komst van onze twee kindertjes ook mijn
arbeidsuurtjes wel gemaakt. Maar ja, of je een beetje rammelen op een computer
werken kunt noemen? Zeker, na een dagje naar dat vierkantje staren ben ik
absoluut moe en af en toe heb ik behoorlijk de balen van die lichtgevende kast,
die me elke keer weer verleidt om nog maar eens mijn inkomende berichten te
checken. Ik snak naar echt werk! Je weet wel, iets met je handen doen of zo.
Bewegen met dat luie kantoorlijf. En daar horen vingerbewegingen zeker niet
bij!
Het zal deze onrust in mijn lichaam zijn geweest,
dat ik afgelopen week verlekkerd stond te kijken naar de zeven kuub grond die
ze deze week op onze oprit stortten. Yes! Alles moest
per kruiwagen richting de achtertuin en ik wist niet hoe snel ik mijn laarzen
moest aantrekken. Normaal ben ik de tuin niet in te slaan, want voordat ik al
mijn tuingereedschap heb verzameld, ben ik al tien keer gestoord door de
kinderen. “Màm, waar is mijn step? Màm, mag de poort open? Màm, ik
heb dorst! Màm ik moet plassen!” Hupsakee,
daar gaat mijn schoffel terug in de schuur.
Maar deze keer laat ik me niet afleiden. Zonder
pardon zet ik de kinderen achter de tv en stoom ik naar buiten. Ik hoor mijn
moeder in gedachten roepen: “Edith, doe je werkkleren aan!” Maar in mijn kast
hangt niets wat ook maar enigszins op werkkleding lijkt. Met de schop in mijn
hand, plant ik mijn nette laars middenin de zwarte grond en begin als een
bezetene te scheppen. Als mijn kruiwagen vol genoeg is, speer ik naar de
achtertuin. Na een aantal ritjes begint het zweet op mijn hoofd te parelen,
ontstaat er een blaar aan de binnenkant van mijn hand en beginnen mijn armen
behoorlijk pijn te doen. Mijn man slaat dit tafereel met een grijns op het
gezicht gade. “Goh, ziet er best lekker uit zo’n werkende vrouw.”
’s Avonds lig ik moe maar voldaan in de bank. De
computer raak ik niet meer aan. Wat denkt u, zou ik me nog om kunnen laten
scholen?
Edith
Moerenhout
Wegdromen is toegestaan
Donderdag, 13 mei 2010
Wat is hij nu weer aan het doen? Tussen het legen
van de vuilnisbakken door en het stofzuigen van de kamer, loer ik naar het beeldscherm
waarachter Koos zit te werken. Ik kan niet precies zien wat hij bekijkt, maar
ik zie wel dat het niets met zijn werk te maken heeft. Dat klinkt misschien
vreemd in de oren, een wielrenner die achter zijn computer werkt. Maar sinds
hij elke stap buiten de deur moet registreren, heeft Koos er een heuse
kantoorbaan bij. Als ik dichterbij kom, zie ik lieflijke boerderijtjes in een Toscaans landschap, mooie appartementjes in Umbrië, romantische olijfgaarden en verleidelijke
zwembaden. Hè? Ik ben helemaal verbaasd, want ik weet niets van een vakantie.
Zou hij me soms willen verassen?
Nu vertoeft hij deze maand wel voor een week of drie
in Italië, maar dat heeft niets met vakantie te maken. In tegendeel zelfs, de
enige olijf die hij tijdens zijn verblijf tegenkomt, is een geperst exemplaar
welke hij ’s avonds vermoeid uit een flesje over zijn dagelijkse portie pasta
laat vloeien. Als ik hem vraag waarmee hij bezig is, antwoordt hij: “Och,
zomaar even rondneuzen voor de lol.” Voor de lol? Wel ja, alsof hij niets beter
te doen heeft. Trainen of zo, of zijn fiets poetsen of gewoon in zijn bed
uitrusten. Je reinste zelfkastijding is het als je het mij vraagt. Want dat
oeverloze gesurf naar dromerige vakantieplekjes leidt
uiteindelijk helemaal tot niets. We gaan helemaal niet op vakantie naar Italië,
we zullen geen verse olijven proeven en we plonsen bij dertig graden Celsius
niet in een heerlijk koel zwembad.
Ik weet niet waarom ik zo pinnig reageer, het heeft
er waarschijnlijk mee te maken dat hij lekker op zijn gemakje zit weg te
dromen, terwijl ik me bezig houd met allerlei vervelende klusjes. Zou ik
misschien ook even… Nee! Ik moet nog strijken, moet de vaatwasser nog
uitruimen, moet nog een deadline halen, moet nog sporten, moet straks de
kinderen uit school halen. Ik moet, ik moet, ik moet, ik moet ………aaaahhhh@kejorpief j@kjkfljep!!!??!!...... Nu is het klaar, ik moet helemaal
niets meer!
En Koos moet blijkbaar ook even niets. Ergens snap
ik hem wel. Deze maand moet hij nog drie weken buffelen in het Italiaanse land.
Niks luieren in een stoel of een terrasje pakje op een piazza.
Gewoon keihard afzien en werken voor zijn kopman. Dan mag je jezelf toch wel
eens verwennen met een beetje dagdromerij?
Even twijfel ik nog, maar dan doe ik het gewoon. Ik
gooi mijn stofzuiger aan de kant en kijk verlekkerd zonder schuldgevoel met
Koos mee naar de meest luxueuze vakantiehuisjes. Ook al weet ik, dat ik dit
jaar niet eens in de buurt van Italië zal geraken. Maar in deze tijd van
plannen, afspraken maken, op de klok leven en takenlijstjes afwerken, gun ik
mezelf een momentje van rust. Want als ík er niet
voor zorg, wie doet het dan wel?
Edith Moerenhout
Waar is de rit naar de
zon?
Woensdag, 10 maart 2010
Ik kan mijn ogen niet geloven. Trek ik deze ochtend de gordijnen open, dwarrelt
er sneeuw naar beneden. Sneeuw in maart! Ik hoopte nog even dat ik in
dromenland was, maar de Sponge Bob-achtige
geluiden die de kinderen uit de tv op de slaapkamer weten te toveren, treffen
mij als een koude plons water in het gezicht. Geen twijfel mogelijk, ik ben
echt wakker en het sneeuwt voor de zoveelste keer deze winter.
Waarschijnlijk kijk ik nu net zo sullig als afgelopen weekend, toen Koos
vervroegd van zijn training terugkwam. Zeker last van de kou dacht ik nog. Maar
nee, Koos had onderweg een telefoontje gehad van de ploeg. “Ik moet naar Parijs-Nice!”, sprak hij met grote ogen. Parijs-Nice: De rit naar de zon. Hij wel!
Hoewel… de naam van deze koers klinkt veelbelovend, maar ik weet wel beter. Al
een aantal keren heeft Koos na thuiskomst van deze wedstrijd hard geroepen dat
hij hier nóóit meer zal rijden. Want die zon is in Parijs-Nice meestal ver te zoeken en die koperen ploert is
slechts een heimelijke fantasie tussen de oren van bibberende renners, die
regen en wind op weg naar het zuiden moeten trotseren. Waarschijnlijk ook voor
Koos nog geen zon.
Als ik met de kinderen op de fiets naar school rijd, prikt de natte sneeuw ons
uitdagend in het gezicht. Dit vraagt om een reactie, als die lente nu niet snel
komt, regel ik zelf wel wat! Buurman Toine is alvast goed bezig. Onverstoorbaar
treft hij in de sneeuw de voorbereidingen voor ons nieuwe zonnige terras. Zelf
race ik naar de delicatessenwinkel om een paar goede flessen Italiaanse
olijfolie te halen. Vanavond eten wij zomers! Bij elke hap van mijn pasta proef
ik het Toscaanse platteland: zoete tomaten en dikke
aubergines volgetankt met warme zonnestraaltjes.
Die middag neem ik zelfs een voorproefje op de voorjaarsschoonmaak. Hoe
wanhopig kan een mens zijn? Met een doekje zwiep ik het stof, wat er
waarschijnlijk al de hele winter ligt, van de ene plek naar de andere plek.
Ziezo, opgeruimd staat netjes. Mijn huis is klaar om de zon te verwelkomen.
Ook Lynn wentelt zich in het door onszelf gecreëerde
voorjaar. Waar ik met drie truien door het huis loop, huppelt zij vrolijk rond
in zomerjurkjes en bloemenrokjes. Het liefst speelt zij haar favoriete
personage uit een schreeuwerige tekenfilm na: Bloem. Hoe toepasselijk. ’s
Avonds duikt ze met een roze bloemetjeshanddoek het bed in en ook ’s nachts
zitten de bloemen nog in haar hoofd. Brullend staat ze naast haar bed en
reageert boos als ik haar bij de naam noem: “Ik ben Lynn
niet, ik ben Bloem en waar is mijn bloemetjeshanddoek?”
Maar al deze pogingen om de lente tot leven te wekken, vallen in het niet bij
de actie van mijn schoonouders. Zij waren duidelijk het slimst van ons allemaal
… en boekte gewoon een vlucht naar Torremolinos in
Spanje. “Wij drinken koffie op het terras, het is 20 graden,” lees ik in de sms
van mijn schoonvader.
Aaaahhh!!!!auei@2@!!ieowj. Vanavond geen scheut olijfolie door de pasta, maar
een hele fles!
Edith
Moerenhout
Ik kan het nog
steeds?
Maandag, 8 februari
2010
Tranen
rollen over mijn wangen en de ijspegels hangen zowaar aan mijn neus. Waar ben
ik in godsnaam mee bezig? Een rondje fietsen bij drie graden Celsius, dan moet
de nood wel erg hoog zijn. En dat voor iemand die nog geen 500 kilometer per
jaar fietst!
Het
is ook allemaal mijn eigen schuld. Jarenlang heb ik mijn racefietst
genegeerd elke keer als ik de garage inliep. Trainen? Conditie opbouwen? Ach,
ik ben nog jong, die conditie is zo weer opgebouwd. In mijn hoofd voelde ik me
nog steeds een sportieve meid. Turnen, schaatsen en vooral veel wielrennen. Ik
heb na de komst van onze twee kindjes mijn geest nog lang voor de gek kunnen
houden, maar sinds ik de dertig ben gepasseerd trapt mijn lichaam niet meer in
mijn zelf gecreëerde rooskleurige zelfbeeld. Ik ben gewoon een luiwammes
geworden, niets meer en niets minder... In een ultieme poging laat ik hoopvol
mijn rugpijn wegkraken en mijn zeurende heup wegmasseren. Tevergeefs, na een
paar weken komen de klachten gewoon weer terug en ik weet dat er maar één
oplossing is. En dat is gewoon die fiets weer op en het lichaam in gang
slingeren. Ook als het buiten ijskoud is. Dat is mijn straf.
Met
vijf lagen kleding aan, worstel ik me door het West-Brabantse
landschap. Stiekem kijk ik op mijn horloge, ben ik al lang genoeg onderweg? Met
mijn tong op mijn knieën stoemp ik door het
gemoedelijke Wouw heen. Poeh poeh, ik ben bijna op de
helft. Een eindje verderop in de straat zie ik de postbode zijn werk doen. De man
krijgt mij in het vizier en gaat er eens goed voor staan. Als ik voorbij fiets
voel ik zijn ogen branden in mijn rug. Volkomen logisch natuurlijk, want hier
komt een jonge sportieve vrouw voorbij met een goddelijk lichaam. Dat ieniemienie kleine vetrolletje valt mooi weg in de glooiing
van mijn shirt, dat kan hij vast niet zien. Mannelijke aandacht, welke vrouw
houdt hier nu niet van! Wat zeg je, de postbode van Wouw is zeker 60 jaar oud?
En wat dan nog…? Na de zichtbare interesse van het mannelijk geslacht voelt
mijn tred direct een stuk soepeler. De handen losjes op de remgrepen, de
knietjes iets naar binnen, de hakken naar beneden en ik berijd mijn fiets met
een schoonheid die onovertroffen is. Als een bliksemschicht speer ik door de
straat. Ik waan me weer even twintig, toen ik met mijn conditie zonder
problemen over Alpencols reed. Yes! Het gevoel is er
weer, ik kan het nog steeds. Stiekem droom ik over een rentree in het wielrennerspeloton. Bij de veteranen zijn er nog genoeg
mooie prijzen te winnen, misschien kan ik wel wereldkampioen in Sankt Johann worden of de Marmotte
in Frankrijk in recordtempo afleggen.
Helemaal
verheugd over mijn wederopstanding pers ik er onderweg naar huis zelfs een paar
intervalletjes uit. Dan realiseer ik me dat de postbode mij niet zag als vrouw,
maar gewoon als een wielrenner. Met een dikke muts op, een grote bril en
kolenschoppen van handschoenen aan, heeft hij onmogelijk enige vrouwelijke
vormen aan mij kunnen ontdekken. Waarschijnlijk heeft hij zijn rug gerecht om te
kijken of het nu Stef Clement was of Koos Moerenhout die in Rabobank kleding
zijn dagelijkse trainingsritje door de Zuidwesthoek maakte.
Na
een klein uurtje kom ik totaal uitgeput thuis en moet ik me beheersen om niet
in één keer de snoeplade leeg te eten. Sankt Johann?
De Marmotte? Wie denk ik nou eigenlijk dat ik ben.
Edith Moerenhout
Woonleed
Woensdag,
20 januari 2010
Na een flinke aanloop van een jaar of twee staat hij dan eindelijk te pronken in ons huis. Jazeker, een mooie zespersoons eettafel mét nieuwe stoelen uiteraard. Omdat ik vind dat ons grenen dressoir er toch eigenlijk niet-zo-heel-mooi bij past, ben ik al een poosje op zoek naar een nieuwe kast. Hele avonden surf ik op internet naar dé perfecte kast. Ja ja, waar een mens zich al druk om kan maken!
Zo ook deze maandagavond. Koos zit in Australië, dus is mijn laptop, naast de televisie, ’s avonds mijn beste vriend. Klik klik, pagina’s en foto’s van allerlei kasten schieten aan mij voorbij. Te groot, te smal, te duur, een foute kleur… waarschijnlijk gaat het tot Sint Juttemis duren voordat ik mijn kast eindelijk gevonden heb. Al surfend kijk ik met een scheef oog naar televisie. Een televisieploeg is op visite bij de Taliban strijders in Afghanistan. De camera registreert zonder schroom de beelden van een huilende vrouw die al haar kinderen heeft moeten begraven door het geweld tussen de Taliban en de buitenlandse strijdkrachten, de zogenaamde bevrijders. Een man vertelt over bombardementen en wijst naar het plein in zijn dorp waar zich vanalles heeft afgespeeld. Ik vraag me af welk plein hij bedoelt, waarschijnlijk is het die lege plek tussen een berg van brokstukken en ruïnes. Er is geen fatsoenlijk huis meer te vinden in het dorp, slechts wat muurtjes verraden dat er op deze plek mensen hebben gewoond. Ook in het daaropvolgende televisieprogramma is het woonleed niet te overzien. Haïti. De chaos is enorm en met enig ongeloof kijk ik naar twee mensen die na vijf dagen nog levend tussen het puin vandaan komen.
Eigenlijk had ik morgen willen gaan winkelen. Lekker een beetje speuren naar mijn nieuwe kast. Maar na het zien van deze beelden begint dit idee me toch een beetje tegen te staan. Zou ik ons huidige dressoir niet gewoon een lik verf geven zodat het weer jaren mee kan? Ik besluit de volgende dag gewoon thuis te blijven en iets nuttigers te gaan doen, zoals mijn vrijwilligerswerk. En dat betekent deze keer… dat ik het Welbergse carnaval promoot.
Tja, ik zal er de wereld niet mee veranderen, maar hopelijk maak ik er toch een paar mensen erg blij mee.
Edith Moerenhout
Hallucineren
op de Mont Ventoux
Zaterdag,
25 juli 2009
Waar ligt dat ding nou? Ik zit op de zolder en laad dozen in en uit. Er komen fotoalbums en plakboeken naar boven, maar wat ik zoek zit er niet tussen. Mijn wielerdagboek. Ik weet dat ik tijdens de Tour de Feminin een keer de Mont Ventoux heb beklommen, maar kan er maar bitter weinig van herinneren. Waren de herinneringen te pijnlijk om te bewaren of heeft het vele afzien een gat in mijn geheugen geslagen? Ik weet het niet. Als ik diep nadenk over mijn ervaringen met deze imposante puist, komt er slechts een handjevol beelden naar boven. Hitte, plakkend asfalt, gelost in de eerste kilometers, hét monument en maanlandschap. Maar mijn sterkste herinnering aan deze col is wel de bus. En dan bedoel ik niet de bus zoals de mannen die hebben in de Tour, maar ik bedoel de bus van het Chinese team. Ja, u leest het goed. In één van mijn tourdeelnames stond een Chinees team aan de start. Zij waren destijds een echte bezienswaardigheid. Nu hadden wij al wel eerder een Chinese medemens gezien, maar deze “dames” hadden de benen van een stel potige kerels. Ik kon ook verder geen voor- of achterkant ontdekken en had het zware vermoeden dat ze nooit door een geslachtstest zouden komen. Een oneerlijke strijd dus. Op de Mont Ventoux reden ze mij met een rotgang voorbij. Even dacht ik dat ik hallucineerde, maar toen ik beter keek zag ik dat ze gewoon de teambus hadden vastgegrepen. Aan weerszijden wapperden een paar Chinezen. Ik deed nog een greep, maar tevergeefs. Ook vanavond zullen er renners zijn die hun herinneringen aan deze dag diep wegstoppen. En heel waarschijnlijk zijn er ook die, net als mij, met pijn in het hart de bus aan zich voorbij moesten laten gaan.
edithmoerenhout@hotmail.com
In Timboektoe weten ze dat wij een Nespresso
apparaat hebben
Woensdag,
22 juli 2009
Koos is verslaafd. Hè hè, dat lucht op. Nu zelfs de pers ervan op de hoogte is, hoef ík er in ieder geval geen geheim meer van te maken. Hij is trouwens niet de enige hoor, het halve peloton is verslaafd! Zelfs Lance Armstrong geeft het gewoon openlijk toe. Wat zeg ik? Hij is waarschijnlijk de grootste gebruiker. Ik snap het niet, want wetenschappelijk bewijs dat de coureurs van dit genotsmiddel sneller gaan fietsen is er niet. Het middel werkt dan ook niet in de benen, maar in de vingers! Het heet “Twitter” en je gaat er ont-zet-tend snel van typen.
Ik maak me grote zorgen om Koos. Want net zoals bij alle andere verslavingen leidt het uiteindelijk tot niks. Koos is daarentegen niet weg te slaan bij zijn digitale vriendjes. Urenlang kwekt en twittert hij rond. Dat het epidemische vormen aanneemt, blijkt wel uit het feit dat hij al bijna 4000 volgers heeft. Allerlei “gewichtige zaken” slingert hij via Twitter de wijde wereld in. Zo weten ze nu in Timboektoe dat wij een Nespresso koffiezetapparaat hebben en dat Koos pas nog in de file heeft gestaan. Heel interessant ja.
Toch moet ik toegeven dat het soms ook hele leuke dingen brengt. Zo kwam Koos via Twitter in contact met The Gasoline Brothers: een Nederlandse band met een stevige sound. Als Koos Nederlands kampioen zou worden, zouden de brothers een nummer voor hem schrijven. Ze hebben woord gehouden, want vanaf 27 augustus is hun eerbetoon via www.gasonlinebrothers.nl te beluisteren. Heel Nederland zingt straks mee met de zomerhit “Koos on the loose” en danst mijn mannetje vanaf het scherm al heupwiegend bij u de huiskamer in. Een spetterende carrière in de popwereld ligt voor hem in het verschiet. En wie dan aan Koos denkt, denkt automatisch aan sex, drugs en rock & roll. Heeft hij er meteen weer een verslaving bij.
Contador heeft me gehoord
Maandag,
20 juli 2009
Ding dong… ik ben net bezig de kinderen in bed te leggen als ’s avonds de deurbel gaat. Vliegensvlug schieten Lynn en Kas de trap af om eigenhandig de deur open te doen. Elke mogelijkheid om vijf minuten later in bed te belanden grijpen zij met beide handjes aan. Aan de deur staat een voor mij onbekende man op leeftijd met in zijn hand een plastic tas. Omdat hij zo geniet van mijn columns, komt hij mij het wielerboek “Maillot Jaune” ter inspiratie aanbieden. Een boek met verhalen over de meest aansprekende gele-truidragers die de Tour de France ooit heeft voortgebracht. Nu ben ik niet overmatig geïnteresseerd in de Tourhistorie, maar ik raak geboeid door de schitterende zwart-wit foto’s in het boek. Op de één of andere manier lijken deze mannen heldhaftiger dan de coureurs van nu. Ik staar naar een grote foto van de Fransman Jean Robic die in de Tour van 1953 door een valpartij uitviel. Hij ligt met de ogen gesloten in bed. Zijn ploegmakkers staan zwijgend rondom hem. Markante koppen, scherpe neuzen, de donkere haren met een dot brillantine naar achteren gekamd. Het is één van de vele verhalen die de Tour rijk is en ik vraag me af wat hét verhaal van de Tour 2009 wordt. Het zal toch niet de psychologische oorlogsvoering tussen Armstrong en Contador worden? Of het verhaal van Cavendish die achterstevoren op zijn fiets met allerlei irritante gebaartjes rustig over de streep bolt? Klaar met die slappe hap, ik wil bloed aan de paal zien! Die aanval van Contador op Arcalis duurde te kort om mij in extase te brengen. Koersen moeten ze, die duurbetaalde klassementsrenners. Ik wil ze zien loeren, aanvallen, pokeren, door het ijs zakken, complotten zien smeden. Ik wil het nú zien! Nú, nú, nú… Goddank heeft Alberto Contador mijn smeekbede gehoord.
Gemengde
gevoelens in de Vogezen
Zaterdag,
18 juli 2009
Koos zit in de Tour! Misschien een weekje of twee te laat, maar hij zit er dan toch. Gisteren stond hij in zijn regenjas met een capuchonnetje op in de berm van de Col de la Schlucht. In een gemêleerd gezelschap van Rotterdamse zakenmensen en sportbestuurders bekeek hij de verrichtingen van zijn collega’s met gemengde gevoelens. Want Koos heeft iets met de Vogezen. Sinds zijn amateurtijd brengt hij bijna elk jaar een weekje door in deze mooie wijnstreek. Hij kent er ieder weggetje en weet elke berg te vinden. Dagenlang doorkruist hij in zijn eentje de Route des Cretes om na vijf of zes uur trainen total loss thuis te komen. De Col de la Schlucht heeft hij misschien al wel dertig keer beklommen. Als hij in de Tour was gestart, weet ik zeker dat hij deze etappe had aangekruist. De beklimmingen zijn hem op het lijf geschreven; lang en slopend maar niet al te steil.
Nu moet hij het doen met een plekje in de berm van zijn geliefde
trainingsgebied. De toeschouwers laten zich in ieder geval niet wegjagen door
de regen, ook hier in de berm moet hij vechten voor zijn plekje. Als de eerste
Tourauto’s de berg op komen stroomt er een golf van opwinding door het publiek.
Daar komen de coureurs! Hij hoort de regenjackjes van zijn collega’s klapperen
in de wind. Met samengeknepen ogen tegen het opspattende regenwater, schuiven
zij met een grimas op het gezicht voorbij. Koos wordt niet opgemerkt. Bloed
sijpelt door de broek van Antonio Flecha
en Kenny van Hummel bungelt hopeloos aan het elastiek terwijl er nog
Oude
mannen in het peloton
Donderdag,
16 juli 2009
Wat doe je op een mooie zomeravond als wielrenner en je zit niet in de Tour? Juist, dan ga je naar de Ronde van Heerle kijken. Niet dat deze wedstrijd jaarlijks op ons programma staat, want wij zien maar zelden meer een amateurwedstrijd. Maar Koos zijn schoonvader besloot als 63-jarige mee te doen tussen kerels die zijn eigen zoon zouden kunnen zijn. Ik gaf hem weinig kans en verwachtte binnen het uur weer thuis te zijn. Die jonge mannen zouden hem vast eens flink de oren wassen.
In het begin zat hij nog fris genoeg om even te zwaaien naar de
kleinkinderen. Fier bleef hij op zijn stekje zitten halverwege het peloton. Met
een gemiddelde snelheid van
Koos wurmde zich tijdens de wedstrijd in de meest bizarre houdingen om zijn schoonvader met zijn fotocamera te vangen. Nog een close-up, nog een close-up en nog een close-up... Wat moest hij toch met al die foto’s van deze grijze schicht? Thuisgekomen haastte Koos zich direct naar de computer, waar hij zijn zojuist gemaakte foto’s bekeek. Toen ik hem hoorde grinniken, besloot ik maar eens te kijken wat hij in zijn schild voerde.
Zojuist had hij een andere oude man in het peloton een foto van mijn vader doorgestuurd. Ook deze kerel laat zich nog niet afdrogen door de jeugd. “Jij oud? Kijk maar eens naar deze foto. Je kunt nog jaren mee!” schreef Koos hem met een vette knipoog. Ik hoop dat Lance Armstrong een goed gevoel voor humor heeft!
edithmoerenhout@hotmail.com
Koning
Koos met egards behandeld
Zondag,
12 juli 2009
Zaterdagavond. En nú heb ik het helemaal gehad met die Ronde van Oostenrijk! Wil ik op internet nog wat nalezen over Koos zijn tijdritoverwinning, komt er opeens een levensgrote foto naar boven met míjn vent totaal ingeklemd tussen twee hoogblonde fotomodellen. En denk maar niet dat hij last heeft van claustrofobie. Wel nee, met zijn ogen gericht op de hemel, lijkt het alsof hij onze Lieve Heer persoonlijk bedankt voor dit aangename cadeautje. Dat hij zich één keer door de rondemissen vrijwillig laat betasten (de eerste keer na zijn huldiging als Glocknerkönig), is tot daar aan toe, maar nu hij de kissmissen voor de tweede keer diep in de ogen kijkt, word ik argwanend. Ik had hem nog zo gezegd dat het aanbod om verliefd te worden op andere vrouwen alleen voor de Tour de France gold en NIET voor de Ronde van Oostenrijk. Ik ben hartstikke blij hoor dat hij dit weekend die tijdrit heeft gewonnen, maar nu moet hij gewoon naar huis komen.
Het zal voor hem trouwens niet meevallen om met de beentjes terug op aarde te belanden. Sinds hij de eretitel “Glocknerkönig” ontving van de organisatie, behandelen zijn ploegmaats hem met alle egards die daarbij horen. Zodra Koos van tafel opstaat, springen zijn onderdanen met uitgestrekte gezichten omhoog. En lopen ze hem ergens in de gang van het hotel tegen het lijf, dan volgt een lichte buiging. Zijn ploegmakker Graeme Brown heeft inmiddels blauwe plekken op de knieën van al die keren dat hij knielend voor Koning Koos neerviel. Ik vermoed dat de heren coureurs veel gelachen hebben in Oostenrijk.
Goed dan, ik zal Koos vandaag nog behandelen als een koning, want mooie prestaties mogen worden beloond. Maar dan is het feest toch echt voorbij. De vuilnisbak moet gewoon weer aan straat gezet worden Glocknerkönig!
edithmoerenhout@hotmail.com
Met
zijn neus in de decolletés
Zaterdag
11 juli 2009
Een dikke maand geleden keek ik naar een documentaire over het Belgische wonderkind Frank Vandenbroucke. In deze uitzending blikte hij terug op het jaar 1999 waarin hij reed als de brandweer. Hij vertrouwde de kijker toe hoe hij erin slaagde om twee ritten in de Vuelta te winnen. Het was een schitterend verhaal. Het grote geheim? Hij raakte verliefd op één van de koffiemeisjes, de Italiaanse Sarah Pinacci. Frankyboy was zo vreselijk in de wolken dat hij geen pijn meer voelde in de benen. Hij kon alles en beloofde tot twee keer toe een etappe voor haar te winnen. Vertwijfeld vroeg ik me af of deze tactiek ook bij Koos zou werken. Soms moet je als wielrennersvrouw offers brengen, was ík nu aan de beurt voor mijn offer? Na een poosje dubben, besloot ik uiteindelijk dat hij voor deze ene keer ontzettend verliefd mocht worden op een andere vrouw. Al viel hij met zijn neus in de decolletés van de reclamemeisjes of plakten zijn vingers aan de billen van de rondemissen, het maakte me niets uit. Alles voor een etappeoverwinning in de Tour.
Maar het liep allemaal anders. Misschien maar goed voor mij, want het verhaal van Frank en Sarah heeft niet bepaald een happy end.
Toen ik Koos deze week over mijn aanvankelijk geplande voornemen vertelde, sprongen de tranen hem spontaan in de ogen. Wat een gemiste kans! En nee Koos, dit aanbod geldt niet voor de Ronde van Oostenrijk.
Uitgerekend die dag passeerde hij als eerste de Grossglockner, de Oostenrijkse Cauberg zullen we maar zeggen. En omdat de Oostenrijkers deze berg haast mythische waarden toekennen, kreeg Koos als beloning een beker en een worst!? Arme jongen. Daar stond hij dan met een sip gezicht op het podium. “Tussen twee lekkere mokkels en met een grote worst in de hand,” zo sprak hij.
edithmoerenhout@hotmail.com
Cavendish is maar een onderdeurtje
Woensdag,
8 juli 2009
Al kijkt Cavendish nog zo ondeugend en oogt Thor Hushovd nog zo stoer, voor mij is er maar één sprinter en dat is Gert Steegmans. Jammer genoeg is hij er net als Koos dit jaar niet bij. Sinds ik d’n Gert jaren geleden in levende lijve mocht ontmoeten, hang ik al kwijlend voor de buis als mijn favoriet door het beeld heen spurt.
In 2005 vertoefde ik samen met Koos en Lynn een week in een huisje in de Belgische Ardennen, waar Koos voor zichzelf een trainingskampje hield. Tijdens ons verblijf zouden zijn ploegmakkers Steegmans en Van Bon langskomen om een dagje met hem mee te trainen. Ik zat rustig op de bank een boekje te lezen en met een half oor te luisteren naar de sterke verhalen van de mannen. Gert had zich inmiddels omgekleed en was de kamer in gelopen. Mijn ogen werden als schoteltjes zo groot en de adem stokte in mijn keel. Ternauwernood kon ik me vasthouden aan de bank, anders was ik er zeker uitgekukeld. De aanblik van zijn poezelige achterkantje deed deze vrouw trillen op haar benen.
Mijn hemel, wat een billen! Nu is Koos niet de magerste van het peloton, maar zijn kontje past zeker tweemaal in de derrière van Gert. Het was het meest indrukwekkende achterwerk dat ik ooit heb gezien! Zijn hele verschijning is trouwens indrukwekkend. Maar liefst één meter negentig meet Steggels, da’s zijn bijnaam, heeft spieren als kabels en ik weet zeker dat hij met zijn billen een kat kan fijnknijpen. Vergeleken met hem is Cavendish maar een onderdeurtje! Als Koos vertelt dat deze sympathieke Belg waarschijnlijk de meest explosieve aanzet heeft van het hele peloton, geloof ik hem direct.
Toch spijtig dat hij dit jaar niet met de billen bloot gaat tegen Cavendish.
Hij
gaat ze toch niet de kop afzagen?
Maandag, 6
juli 2009
Psst, wilt u weten waarom Koos momenteel zo hard fietst? Ja? Dan zal ik het u vertellen. Ongeveer een week voor de Dauphiné Libéré staarde hij ’s ochtends vroeg met peinzende blik uit het slaapkamerraam. Zijn oog trok naar de frambozenstruiken die bij ons in de tuin staan; of beter gezegd naar de duiven die boven deze struiken op de pergola zaten.
Begrijp me goed, wij hebben niets tegen duiven maar sinds deze grijze jongens schaamteloos onze hele tuin onderkakken, inclusief frambozenstruiken, mogen ze van ons best een enkeltje naar het hiernamaals boeken. Gewapend met de zaag onder zijn arm stoof Koos na het ontbijt de tuin in. Hij zou de gevleugelde vriendjes toch niet de kop afzagen? Maar nee, het was de pergola die eraan moest geloven en zo ontnam hij de duiven met een paar woeste bewegingen hun kakdoos.
Voortaan zouden onze frambozen brandschoon blijven en dáár was het hem eigenlijk om te doen. Want van frambozen ga je héél hard fietsen, zo voorspelde zijn schoonvader André. Het is niet zo dat Koos klakkeloos aanneemt wat zijn schoonvader hem op de mouw probeert te spelden, maar met alle belangrijke wedstrijden toen nog in het vizier besloot hij de vitaminebommetjes toch maar op te eten. Aan pa’s andere aanbevelingen, het eten van haring en slagroomtaart, waagde Koos zich niet. U weet ondertussen wat de frambozen hem brachten.
Gisteren was het de beurt aan zijn schoonvader om een Nederlands kampioenschap te rijden. Mijn vader kennende had híj zich wel volgestopt met de misselijkmakende combinatie van frambozen, haring en slagroomtaart. Hij werd zestiende. En dat bevreemdt mij, want het enige dat híj had hoeven doen, is op de kop van het peloton een flinke wolk gas uit de koersbroek laten ontsnappen.
edithmoerenhout@hotmail.com
Als ze
haar best doet, komt het vast goed
Zaterdag,
4 juli 2009
Zeker drie keer in de week tuf ik met onze dochter Lynn van vijf richting het buitenzwembad. Moeders had namelijk bedacht dat dochterlief deze zomer haar A-diploma maar eens moest halen. In het begin ging Lynn met veel plezier naar de zwemles en deed alle oefeningen op haar kinderslofjes. Nu ze verwoede pogingen doet om armen en benen op het juiste tijdstip in beweging te brengen, kijkt ze al wat minder vrolijk. Met het felbegeerde papiertje in mijn achterhoofd schreeuw ik haar in het zwembad toe dat ze met haar armen ‘pannenkoeken’ moet snijden en met haar benen ‘rondjes’ moet maken. ’s Avonds in bed vraagt ze met tranen in de ogen wanneer ze nu eindelijk mag afzwemmen. Maar met haar spontane hondjestechniek is ze nog lang geen Inge de Bruijn. Schuldbewust probeer ik mijn pushgedrag te verdoezelen en benadruk dat gewoon ‘haar best doen’ het allerbelangrijkste is. Dan komt het vast goed.
Dezelfde week nog slaat Erik Breukink mij met deze theorie keihard om de oren. Op een haar na won Koos de Ronde van België en in de Dauphiné Libéré reed hij tussen de wereldtop de tijdrit van zijn leven. Toch mocht hij niet naar de Tour. We snapten er helemaal niets van en met tegenzin concludeerden we, voor de zoveelste keer, dat hard werken niet altijd wordt beloond.
Een paar dagen later kaapte Koos op bloedstollende wijze, zowel voor de familie als voor de ploegleiders, de Nederlandse titel weg voor de neus van zijn concurrenten. Wat een fantastisch gevoel om als sportman zo je gelijk te halen! Gelukkig kreeg hij dan toch loon naar werken. En die tour? Ach, daar malen we allang niet meer over.
Met dat zwemdiploma van Lynn zal het dus ook wel goed komen. En als het deze zomer niet lukt… dan rijden we gewoon drie keer in de week naar het binnenbad. Zucht.
Edith Moerenhout
Toevallige
passanten
Vrijdag, 5 juni 2009
Hé, Olympia’s Tour komt zomaar langs mijn deur op de
Welberg! Dat is nog eens leuk, dacht ik toen ik dit bericht in de krant las. En
ook hartstikke handig. Als fervent wielerliefhebber hoefde ik op die mooie dag in
mei slechts tien grote stappen buiten de deur te zetten, om de geur van massage
olie tot diep in mijn poriën op te snuiven. Deze keer geen plakkerige
boterhammen uit de koelbox, geen gezeul met stoeltjes en geen tassen vol met
speelgoedjes om de kinderen te vermaken. Ik liet ze gewoon thuis.
Het zou vast een groot feest worden in ons kerkdurpke. Het is tenslotte een hele eer om Neerlands oudste etappewedstrijd te mogen ontvangen. Alleen
al bij het uitspreken van de naam, voel je er als wielerkenner de historie
vanaf druipen. Mannen als Priem, Den Hertog en Solleveld
gebruikten de wedstrijd als springplank naar de beroepsrenners. En eigenlijk
gebeurt dit nog steeds, dat bewijzen de namen van de laatste winnaars zoals
Boom, Veelers en Clement wel. Welke nieuwe ster zou
hier zijn snot of slijm als souvenir in de berm van ons Brabantse pareltje
achterlaten?
Ik vond het niet nodig de exacte datum in mijn
agenda te zetten. Die ochtend zou ik ongetwijfeld gewekt worden door het
gekletter van de dranghekken. En anders werd ik er wel aan herinnerd door één
van de vele toeschouwers, die zich in alle vroegte met klapstoel en koelbox
voor mijn oprit posteerde. Boodschappen hoefde ik niet te halen, want ik
bestelde wel een patatje bij de frietkraam aan het parkoers.
Maar die ochtend op 22 mei werd ik niet gewekt door
de mannen van de gemeente en ik hoefde ook niet te slalommen tussen de
toeschouwers om de krant uit de bus te vissen. Er heerste rust, zoals
gebruikelijk op de Welberg. Daarom vertrok ik nietsvermoedend richting de
buurgemeente voor wat inkopen.
Toen ik tegen het middaguur via het Welbergswegje (het is écht een wegje) naar huis reed, viel
mijn oog op een mannetje met oranje hesje. Moederziel alleen stond hij in de
berm. Wat doet die kerel hier, dacht ik. Eindelijk ging het lampje branden, Olympia’s Tour! Had ik nu het hele circus gemist?
Niet dus. Het peloton zou nog een aantal keer voor
mijn deur naar rechts afdraaien. Ik keek om me heen op zoek naar het publiek en
kon ze op één hand tellen. Op de T-splitsing stonden
welgeteld drie toeschouwers en dat was inclusief mezelf gerekend. Ook de andere
twee toeschouwers stonden daar niet voor Olympia’s
Tour. Ik trof de buurvrouw die met haar kindertjes geduldig stond te wachten,
totdat zij er met haar auto vandoor kon. De buurman liet op het moment van
doorkomst net zijn hond uit en wierp meer uit nieuwsgierigheid dan uit
interesse een blik op het voorbij razende peloton. Ook op de rest van de dijk
was geen kip te bekennen.
Wat een desillusie. Hoe anders was het vroeger toen
het hele dorp nog uitliep voor de koers. De kroegen zaten vol, de draaimolen
deed goede zaken, de mannen sloten weddenschappen af en de dames flaneerden met
rood gestifte lippen in hun mooiste jurkjes, hopende opgemerkt te worden door
een echte coureur.
Anno 2009 is hier spijtig genoeg niets meer van
over. De inwoners van de Welberg laten zich niet zien. Ze hebben geen weet van
de geschiedenis, de romantiek, de strijd en de euforie die langs hun deur
voorbij trekt. Zij zien slechts een groepje toevallige passanten, bezig aan hun
wekelijkse trainingsritje. Haast onzichtbaar trekt de karavaan door het dorp.
En het grote Olympia’s Tour voelt opeens lang zo
groot niet meer.
Edith Moerenhout
To(b)pjournalist
Vrijdag,
29 mei 2009
Eindelijk ben ik weer eens in de prijzen gevallen.
Wat een lekker gevoel zeg! Deze keer heb ik de winst niet met mijn stalen ros
gepakt, dat zou echt onmogelijk zijn geweest gezien mijn belabberde
huisvrouwenconditie, maar heb ik met een aantal verbeten tikken op het
toetsenbord mijn concurrentie naar de achterhoede geschreven.
In een ultieme poging mijn schrijverstalent nog wat
verder te ontplooien, had ik mezelf een paar maanden geleden aangemeld voor een
journalistieke cursus. Leuk, lekker een beetje schrijven dacht ik bij mezelf,
niet wetende dat de leraar ons genadeloos op de pijnbank zou leggen. De beste
man zou niet rusten voordat hij van ons to(b)pjournalisten
had gemaakt.
Op de eerste avond meldde hij tussen neus en lippen
door dat er voor elk genre (column, persconferentie, commentaar, reportage en
recensie) aan het einde van de cursus een prijs werd uitgereikt. Een kleine
wedstrijd leek hem wel leuk, gewoon voor de fun. Een
wedstrijd? Ik was direct klaarwakker! Diep van binnen voelde ik hoe de
strijdlust uit zijn jarenlange winterslaap begon te ontwaken. Ik was
vastbesloten om voor de prijzen te gaan.
Gedurende de cursus zakte de moed me in de schoenen.
Keer op keer stuurde de meester zijn leerling terug in de schoolbanken. Een
tweede versie volgde, een derde versie, een vierde versie… Uren heb ik achter
mijn laptop gezeten, soms slechts starend naar de schamele opbrengst van twee
goede zinnen.
De sfeer in huis werd er ook al niet gezelliger op.
Koos sprak ik nog amper. Elke avond verstopte ik mezelf achter de laptop.
Huishoudelijke mededelingen werden gedaan via de mail, de wasmand puilde uit en
de laag stof op mijn racefiets werd alsmaar dikker. Alles moest wijken voor de
cursus. Het kostte me bloed, zweet en tranen. Maar ja, die wedstrijd hè…
Toen was eindelijk daar de avond van de uitslag. Ik
prentte mezelf vooral in dat ik de cursus had gevolgd om iets te leren, niet om
iets te winnen. Ogenschijnlijk nonchalant, maar juichend van binnen, nam ik de
eerste prijs voor mijn commentaar en voor mijn reportage in ontvangst. Yes! De buit was binnen. Een zucht van verlichting trok
door huize Moerenhout. Koos had eindelijk zijn vrouw weer terug en verheugde
zich op een romantisch avondje. Zelf had ik het gevoel dat ik weer alle tijd
van de wereld had. Alleen de kinderen protesteerden, onder protest weekte ik ze
los van het televisiescherm waar ik ze gedurende de cursus had vastgeplakt.
Ontspannen dook ik die avond mijn bed in, maar na verloop van tijd begon ik
toch weer te woelen.
Alle op- en aanmerkingen van de leraar buitelden door mijn hoofd en zelfs in
het donker zag ik de rode strepen uit zijn balpen vloeien. Ik was nog lang geen
topper en dat wist ik maar al te goed. Er restte mij slechts één ding. Volle
bak ertegenaan!
Arme Koos…
Black Tie
(Met een nietje in mijn buik in de Story)
Vrijdag,
8 mei 2009
Black Tie. Verdorie, het staat er echt. Koos en ik hebben een uitnodiging gekregen van Right To Play voor een Charity Dinner. Right To Play is een organisatie die zich inzet voor de levens van kinderen in ontwikkelingslanden door ze sport en spel te bieden.
Nu heb ik niet zoveel verstand van kleding, maar ik weet wel dat Black Tie iets meer is dan alleen maar netjes gekleed gaan. Ik duik achter de pc en zoek op internet wat ik nu eigenlijk moet aantrekken. Het koude zweet breekt me uit, wanneer ik lees dat ik in een cocktailjurk moet komen opdraven. Een cocktailjurk! Wel ja, alsof ik er twintig in de kast heb hangen. Eentje om in te stofzuigen, eentje om de kinderen naar school te brengen, eentje voor op de racefiets…
Waar, in godsnaam, ga ik deze feestjurk vandaan toveren? Rond kersttijd is dit geen probleem, dan kun je dit garderobestuk zelfs bij Hans Textiel aanschaffen. Ten einde raad duik ik in de kledingkast van mijn 15-jarige nichtje. Tijdens het laatste kerstfeest zag zij er oogverblindend uit in haar cocktailjurkje. Misschien kan ik het een avondje lenen? Ze doet haar uiterste best om haar tante in het minuscule lapje stof te wurmen, maar moet dan toch schoorvoetend melden dat ze de rits niet he-le-maal dicht krijgt. Niet helemaal? Het is alsof de Van Brienenoordbrug open staat!
Ik heb er inmiddels nachtmerries van en droom dat ik met een nietje in mijn buik sta afgebeeld in de Story. Bij de modeflaters dan wel te verstaan, met als bijschrift: de vrouw van wielrenner Koos Moerenhout zou met dit jurkje de show stelen op de jaarlijkse bijeenkomst van geitenfokhouders, maar slaat op dit Charity Dinner de plank finaal mis. Cijfer: 2.
Weet je wat, ze zoeken het maar uit met hun Black Tie. Ik trek gewoon mijn mooie chique jurkje aan dat ik voor de kerst heb gekocht. Ik weiger geld te spenderen aan een cocktailjurk waarvoor ik zes Afrikaanse stammen een jaar lang kan onderhouden.
Gelukkig beseffen de mensen van Right To Play dit ook, want halverwege de ochtend krijgt Koos een sms’je waarin staat vermeld dat het kledingvoorschrift is veranderd naar Tenue de Ville. Wat dit precies inhoudt weet ik niet, maar het kan nooit erger zijn dan Black Tie vermoed ik.
En laat de modegoeroes op internet bij Tenue de Ville nou exact mijn mooie chique jurkje omschrijven!
Edith Moerenhout
Natuur
dinsdag, 17 maart 2009
Eindelijk, de lente is weer in aantocht. De vogeltjes
tjilpen ons ’s ochtends om vijf uur wakker, de krokussen komen uit de grond en
het allereerste lammetje op de Welberg is alweer geboren. De natuur neemt
zoetjesaan een andere gedaante aan. Levendig. Energiek.
Ook Koos zijn vader ontwaakt uit zijn winterslaap.
Gelukkig voor hem komt het wielerseizoen echt op stoom en dat betekent, dat de
eerste brommertraining op het programma staat. Heerlijk, een goede reden om de
gashendel eens flink open te draaien en zichzelf lekker te laten gaan. Oké,
drie uur lang in dezelfde onbeweeglijke houding op een brommer zitten, is niet
iets om naar uit te kijken. Maar het idee om alle verkeersregels, met een goed
excuus, aan zijn laars te lappen, moet hem toch vrolijk stemmen. Want in de
strijd om zijn zoon superscherp aan het vertrek van de koers te krijgen is
(bijna) alles geoorloofd!
Voor vertrek staart hij peinzend in de helm. “Hmm, echt schoon is hij niet.” Nu moet u weten, Sjaan is
van de hygiëne. Dus een helm van een ander opzetten, is lichtelijk tegen zijn
natuur in. Ik werp een blik in de helm en vind het allemaal nog wel meevallen.
Hoe ik ook tuur, er is geen vliegenlijkje van het vorige ritje meer te
bespeuren. Na een paar maanden bivakkeren in de helm, hebben ze blijkbaar tijd
genoeg gehad om langzaam weg te rotten. Ach, en over die paar vlekjes in de
bekleding moet je niet zeuren. Dat is gewoon puur natuur.
Sjaan neemt een flinke hap lucht en zet de helm op
zijn hoofd. Hij is klaar voor vertrek en zodra hij op de brommer zit, ondergaat
hij een gedaanteverwisseling. Als een vlinder die ontsnapt uit zijn cocon.
Normaal gesproken is hij een toonbeeld van verkeersveiligheid. Veilig Verkeer
Nederland kan trots op hem zijn, want schoonpa houdt zich stipt aan alle regels
en alle opgelegde snelheden. Er is geen agent in de bosjes of geen flitspaal
die hem op de gevoelige plaat legt. Nee, op dat gebied zal de overheid geen
cent aan hem verdienen.
Maar o wee als hij op de scooter zit, dan komt de
coureur in hem naar boven. Dat er onder die helm een 63-jarige man
zit, is van een afstandje niet te zien. Als een kamikaze piloot scheurt hij
door de bochten. Als de weg nat is, houdt Koos hem in de bocht niet eens bij!
Regelmatig houdt zoonlief zijn hart vast. Als dat maar goed gaat… Fietspaden
laat Sjaan links liggen, stoplichten negeert hij en hij snijdt bochten af dat
het een lieve lust is. Go, go, go, go, go…
Als zij na drie uur brommeren weer terugkeren in
Steenbergen, haalt Sjaan zijn laatste truc uit. Voor hen op de rijbaan rijdt
een vrachtauto. Natuurlijk te langzaam naar Sjaan zijn zin. In een flauwe bocht
naar rechts schiet hij het naastgelegen fietspad op, passeert langs de
rechterkant de vrachtauto en scheurt daarna voor de kolos weer de weg op. Dit
was net een bruggetje te ver voor Koos. Zoek het maar uit, dacht hij en kneep
in de remmen. Deze actie druiste frontaal tegen zijn natuur in. Eén-nul voor zijn pa, die bewees dat ondanks zijn leeftijd,
hij de meeste branie in zich heeft.
Eenmaal thuis gekomen trekt Sjaan de helm van zijn
hoofd. Een brede grijns komt onder het hoofddeksel vandaan. Zo, dat was weer
lekker. En zonder te kijken kiepert hij de dooie vliegen uit zijn helm. Puur
natuur.
Edith
Moerenhout
Gezellig
donderdag,
12 februari 2009
We zitten met zijn drietjes aan tafel, Lynn, Kas en
ikzelf. Het is weer tijd voor een gezellig avondmaal. Bij menig huishouden is
dit een rustpuntje. Even tijd om elkaar bij te kletsen. Hier wordt echter niet
gekletst, hier wordt gekrijst. Acht soepballen kijken Lynn
lachend aan vanuit haar bord, alleen ik lach niet. Eerlijk zullen we alles
delen is mijn motto, dus vis ik er een paar uit. Dit tot groot ongenoegen van Lynn, die het op een oordovend brullen zet. Hoe kan ik haar
dit leed toch aan doen, lees ik in haar ogen.
Daar gaat de telefoon. Het is Koos die vanuit Mallorca belt en ik kan hem nauwelijks verstaan. “Geef Lynn maar even aan mij dan,” zegt hij. Ik geef hem weinig kans, want als Lynn haar bokkenpruik op heeft, wil ze eigenlijk helemaal niets. Maar ja, nu is ze boos op mama, dus is papa heel interessant. Gelukkig weet hij haar tot bedaren te brengen en met een pruillip vertelt ze over haar zwemles.
Ondertussen voer ik Kas wat soep en eet snel mijn eigen bord leeg. Het is mijn beurt aan de telefoon. Ik sommeer Lynn nog even haar soep op te eten en probeer me te concentreren op het telefoongesprek. Het duurt Kas allemaal een beetje te lang, dus besluit hij een poging te wagen om uit zijn stoel te klimmen. “K(l)aar, k(l)aar,” roept hij uit en smijt zijn lepel op de grond. Al pratende met Koos, ruikt Lynn haar kans en vist de verloren soepballen weer terug in het bord. Daarna sluipt ze haar stoel af om het hobbelpaard te halen.
Ik probeer Kas weer in zijn stoel te krijgen en onder luid protest gaat hij uiteindelijk akkoord. Ik hoor Koos iets vertellen over “uit de bocht gevlogen”, maar de details versta ik niet. Het zal wel goed zijn gekomen, want ik vang in ieder geval wel op, dat hij niet is gevallen. Ondertussen schep ik voor mezelf en voor Kas een kliekje Mihoen met erwtjes op. Lynn haar ballen zijn verdwenen uit de soep, de groenten liggen op een hoopje aan de kant van haar bordje.
Tussen een paar happen door praat ik verder met Koos. Lynn hangt inmiddels naast haar stoel op het hobbelpaard. Haar gezicht is slechts een paar centimeters verwijderd van Kas zijn gezicht. Als je als vrouw iets niet moet doen, is het wel bovenop de lip van een kerel gaan zitten. Het oerinstinct van Kas komt onmiddellijk naar boven en hij haalt uit met de lepel die ik zojuist van de vloer plukte. Vol bij Lynn in het gezicht. Het luchtalarm in de Gazastrook kan niet harder loeien dan Lynn nu doet.
Aaaahhhhh… Koos en ik houden ons telefoongesprek maar even voor gezien. Dit is duidelijk niet het goede moment. Als Lynn is uitgehuild, krijg ik er toch nog een paar hapjes groenten in. Bij de mihoen trekt ze een vies gezicht. Kas eet er nog wel een paar hapjes van en besluit daarna om op alternatieve wijze zelf zijn bord leeg te maken. Ik zal over een paar dagen de laatste erwtjes wel onder de bank terugvinden vrees ik.
Nu vind ik het welletjes. Wat mij betreft mogen ze van tafel, voordat er eentje besluit zijn beker drinken nog even snel om te stoten. Ik overzie de rotzooi aan tafel. De borden van de kinderen zijn halfleeg, het mijne is nog bijna vol. In mijn eentje werk ik de koude mihoen naar binnen. Het was weer gezellig.
Pff, nog één nachtje slapen en dan is Koos godzijdank weer thuis en heb ik in ieder geval één persoon aan tafel zitten, die mijn inspanningen achter het fornuis wél op juiste waarde schat.
Edith Moerenhout
Schijnheilig
woensdag,
28 januari 2009
Alaaf! Carnaval is weer in aantocht. Zucht. Het is dat de kinderen het vieren op school en dat ik in een activiteiten organisatie zit op de Welberg, anders had ik het gewoon aan me voorbij laten gaan.
Vroeger als puber vond ik het nog wel leuk. Je goot jezelf vol drank en ging vervolgens op jacht. Carnaval was hét evenement om contacten te leggen, om het even discreet te zeggen. Iedereen was vrolijk, praatte met je, omhelsde je, of kneep je in de billen. Gewoon één happy family. Dat duurde dan precies tot dinsdagavond. Want als je Jantje, Truusje of Klaasje een dag later tegenkwam, draaide hij of zij gewoon het hoofd om. Uhh, ken ik jou? Schijnheiligheid ten top vond ik het.
Ook Koos is geen carnavalsfanaat. Hoe dichter carnaval nadert, hoe sneller hij zijn krant leest. Al die verhalen over de Grootste Boer, Jantje Oorlog, de Leutpliesie en Steketee, daar snapt hij geen bal val. Hij ziet er werkelijk de humor niet van in. Trouwens, hij heeft zijn eigen carnaval. Een groot deel van het jaar rijdt hij zelf in een stoet der gekken. Regelmatig worden de mooiste toneelstukken opgevoerd en is het raden of je collega in de kopgroep zich nu wel of niet achter een masker verstopt. Ook hier voert de schijnheiligheid regelmatig de boventoon. Zo denk je een medestander in de koers te hebben gevonden en zo word je keihard door hem geflikt. Shit, je had even over zijn masker heen gekeken… En wat dacht je van al die roepende dopingzondaars: “Nee hoor, ik heb niks gebruikt. Dit kan gewoon niet.” Dit verschilt trouwens niet zoveel van een deel van de carnavalsgangers die luidkeels tegen hun partner roept: “Nee hoor, ik ben helemaal niet vreemd geweest. Dat was iemand anders met toevallig hetzelfde apenpakje aan als mij”.
Ja ja…
De meest in het oog springende carnavaleske figuur is momenteel Lance Armstrong. Na drie jaar afwezigheid keert hij terug in het peloton en vraag ik me af welk masker hij op heeft. Eén ding is zeker, de voorstelling die hij tot nu toe heeft gegeven is groots. Zijn carnavalsmotto? “Show me the money,” en daar kun je alle kanten mee op.
Lance wil, zegt hij, vooral publiciteit voor zijn strijd tegen kanker. Ik twijfel niet aan de bedoelingen van de beste man. Het overwinnen van deze ziekte gaat tenslotte niemand in de koude kleren zitten. Maar toch… hangt er een zweem van schijnheiligheid om hem heen. Volgens mij heeft deze killer een dubbele agenda en dat is het belachelijk maken van alle andere renners. Zeker in dit tijdperk, waar renners de dopingcontroleur meer zien dan hun eigen vrouw, wil hij bewijzen dat hij op zijn 37e nog steeds de beste ronderenner is van de hele wereld. Verteerd door alle dopinginsinuaties betreffende zijn persoon, gaat hij nog eenmaal de strijd aan om te laten zien dat hij ook in “het nieuwe wielrennen” gewoon zijn wedstrijdjes wint.
Ik ben benieuwd of het hem gaat lukken. Aan het einde van dit jaar zullen we het weten. Zal de grote Lance Armstrong de Prins zijn of wordt hij toch de Nar?
Edith Moerenhout